Evangelie der Waarheid, Het

Het ‘Evangelie der Waarheid’ is een van de diepzinnigste en meest meditatieve teksten uit de Nag Hammadi manuscripten (NHC I.3 en XII.2).
Het is geen evangelie in de letterlijke zin van het woord, maar Jezus treedt hier op als wijsheidsleraar die ons komt ‘verlossen’ uit onze droom, door ons eraan te herinneren wie we werkelijk zijn.


U kunt deze tekst lezen en herlezen als stimulans en meditatie!

Hier volgt een citaat van de vertaling van Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans uit het Nag Hammadi manuscript. Fragmenten tussen haakjes zijn toevoegingen om de tekst beter te kunnen begrijpen.

Het Evangelie der Waarheid is een vreugd
voor wie van de Vader der Waarheid
de genade ontvangen hebben
om Hem te kennen door de macht van het Woord (Logos),
dat uit het Pleroma (de volheid) is voortgekomen,
dat immanent is in het bewustzijn
en de gedachten van de Vader,
en dat is hij die genoemd wordt de Verlosser,
naar het werk dat hij verrichten moet
voor de verlossing van hen
die onwetend geworden zijn omtrent de Vader;
terwijl de naam van het evangelie
de hoop verkondigt
en de ontdekking vormt
voor hen die Hem zoeken.

Het Al was inderdaad op zoek naar Hem
uit wie het is voortgekomen,
ofschoon het Al woonde in Hem,
de onvoorstelbare, onbevattelijke,
Hij die alle denken te boven gaat.
Deze onwetendheid omtrent de Vader
bracht angst en vrees teweeg
en de angst verdichtte zich tot een mist,
zodat niemand kon zien.
Hierdoor werd de Dwaling eigenmachtig
(machtig),
zij bracht in leegte
(op ijdele, op dwaze wijze)
haar materie tot stand,
zonder kennis van de waarheid;
zij maakte een schepping
die in kracht en schoonheid
de waarheid moest vervangen.
(‘Zij kwam tot een schepping,
waarbij ze in kracht en schoonheid
een vervanging voor de waarheid produceerde’)

Dit was echter geen krenking van Hem
(de surrogaatschepping deed niets af
aan de ware schepping van de Vader),
de onvoorstelbare, onbevattelijke,
want de angst, de vergetelheid
en de schepping der leugen,
waren niets,
terwijl de vaststaande waarheid
onveranderlijk, onverstoorbaar
en niet te verfraaien is.
Veracht daarom de dwaling
die aldus geen wortel heeft;
want zij was in een mist gehuld
ten opzichte van de Vader,
toen zij bezig was
gewrochten (haar surrogaatscheppingen)
en vergetelheden
en angsten te bereiden,
opdat zij hiermee
de mensen van het midden
zou verleiden
en tot haar gevangenen maken.

De vergetelheid die eigen is aan de dwaling
is niet door de Vader gemanifesteerd,
zij is niet een licht van de Vader.
Vergetelheid is niet bij de Vader ontstaan,
maar zij ontstond wel vanwege Hem
(namelijk: de totale onbevattelijkheid van het
transcendente wezen dat de Vader is,
veroorzaakt het onvermogen van de mensen om Hem te kennen.
De vergetelheid is dus vanwege Zijn onkenbaarheid ontstaan). Wat echter in Hem bestaat,
is de kennis (gnosis) die verschijnt
opdat vergetelheid teniet wordt gedaan
en de Vader wordt gekend.
Aangezien vergetelheid is ontstaan
doordat de Vader niet gekend werd,
zal die vergetelheid terstond verdwijnen
zodra de Vader wordt gekend.

En dit is de blijde boodschap (evangelie)
van Hem die zij zoeken,
die vanwege de barmhartigheid van de Vader
aan de volmaakten werd geopenbaard:
het verborgen mysterie
Jezus de Christus,
door wie Hij Zijn licht uitgestort heeft
over hen die vanwege de vergetelheid
in duisternis verkeerden.
Hij verlichtte hen
en toonde hun een weg,
en die weg nu is de waarheid,
die hij hun leerde.

Hierom ontstak de dwaling in toorn
over hem, achtervolgde hem,
maar raakte door hem in het nauw
en werd teruggebracht tot niets.
(namelijk: omdat ze door haar achtervolgingsdaad
en het kruisigen, mede oorzaak is dat de
heilsboodschap bekendgemaakt wordt,
die heilsboodschap die de vernietiging
van de dwaling en de vergetelheid inhoudt).
Men nagelde hem aan het hout
en hij werd een vrucht voor
de kennis van de Vader.
Deze vrucht richtte niet te gronde
wanneer ze werd gegeten (dit in tegenstelling tot de vrucht van de boom in de Hof van Eden,
die juist de ‘kennis van goed en kwaad’
teweegbrengt en daarmee onwetendheid
omtrent de Vader.
Althans, volgens de traditioneel
christelijke interpretatie, die hier blijkbaar
wordt gevolgd. In vele gnostische scheppingsmythen,
b.v. het Geheime Boek van Johannes en
het Getuigenis der Waarheid,
wordt ook het eten van de vrucht van de boom
van kennis in het paradijs gezien als een
positieve daad die Adam verloste van de
kluisters van de demiurg.
De slang wordt dan als een symbool
voor Christus beschouwd),
maar gaf hun die haar aten
reden tot blijdschap
over deze ontdekking:
Hij vond hèn in zichzelf,
en zij vonden Hèm in zichzelf.

In de onvoorstelbare, onbevattelijke,
de Vader, de volmaakte, die het Al schiep,
in Hem is het Al,
en het Al heeft Hem nodig.
Want alhoewel Hij hun volkomenheid
in zichzelf bewaarde,
had Hij die niet meegegeven aan het Al.
Niet dat de Vader hun dit misgunde,
want waarom zou Hij Zijn ledematen
(alle onderdelen waaruit het ‘lichaam’,
de schepping, van de Vader bestaat)
iets misgunnen? Maar had deze eon aldus
hun volkomenheid meegekregen,
dan zouden zij niet tot de Vader gekomen zijn.
Hij bewaart in zichzelf hun volkomenheid
en vergunt hun die
als een wederkeer naar Hem
en als een volkomen eenheidskennis.
Hij is het die het Al schiep,
en het Al is in Hem,
en het Al heeft Hem nodig.

Het is zoals iemand,
die voor enkelen onwetend zijn,
graag gekend en bemind wil worden
- want wat mist het Al anders
dan de kennis omtrent de Vader? -
zo is hij namens de Vader gids geworden,
geduldig en toegewijd.
In scholen ging hij binnen
en verkondigde als leraar het woord.
De waanwijzen kwamen op hem af
(de wijzen, althans naar hun eigen idee’)
om hem op de proef te stellen.
Maar hij bracht hun leegheid aan het licht.
En zij haatten hem
omdat ze niet echt wijs waren.

Na al dezen kwamen de kleine kinderen tot hem,
aan wie de kennis van de Vader toebehoort.
Toen zij gesterkt waren,
leerden zij de aangezichtsvormen van de Vader kennen.
Zij kenden en werden gekend;
zij werden verheerlijkt
en zij verheerlijkten.
In hun hart werd het levende Boek
van de Levenden opengelegd (gemanifesteerd, geopenbaard),
dat geschreven staat in het bewustzijn
en de gedachten van de Vader
en dat reeds van voor de grondlegging van het Al
in zijn ondoorgrondelijk wezen bestaat.
Niemand was in staat dit boek op te nemen,
omdat beschikt was dat wie het nemen zou
dit met de dood zou bekopen.
Niemand van hen die in verlossing geloofden
kon naar zijn ware wezen geopenbaard worden,
als dit boek niet in hun midden was verschenen.
Daarom heeft de barmhartige en getrouwe Jezus
geduldig het lijden op zich genomen,
totdat hij dat boek nemen kon.
Want hij weet dat zijn dood
het leven betekent voor velen.

Zoals het fortuin van de overleden huisheer
verborgen blijft zolang diens laatste wil
nog ongeopend is,
zo ligt ook het Al verborgen
zolang de Vader van het Al
onzichtbaar is,
Hij die zijn eigen oergrond is,
en uit wie alle ruimten voortkomen.
Om dit testament te openen is Jezus gekomen
(‘hij heeft het document/boek geopend’).
Hij werd aan het hout genageld
en zo heeft hij de wilsbeschikking
van de Vader aan het kruis gehangen.
O, zulk een grootse lering!
Hij verlaagt zich tot de dood
hoewel het eeuwig leven hem omkleedt.
Nadat hij deze vergankelijke lompen had afgelegd
(het stoffelijk lichaam),
bekleedde hij zich met de onvergankelijkheid
die niemand hem ooit ontnemen kan.
Nadat hij in de lege domeinen der angsten
was doorgedrongen,
heeft hij zich voortbewogen
(‘hij passeerde langs hen’)
die door vergetelheid naakt waren
en verkondigde tegelijkertijd
- omdat hij kennis is en volkomenheid -
wat in het hart is van de Vader,
om dit aan hen te onderwijzen
die de lering zullen aanvaarden.

Zij nu die de lering zullen aanvaarden
zijn de levenden die geschreven staan
in het Boek van de Levenden,
en zij ontvangen lering over zichzelf
en zij ontvangen dat van de Vader,
zodra zij weer terugkeren tot Hem. Want de volkomenheid van het Al is in de Vader
en het is daarom noodzakelijk voor het Al
om tot de Vader op te stijgen. Daarom,

wanneer iemand weer tot kennis komt,
ontvangt hij wat hem toekomt
en trekt dat naar zich toe.
Wie namelijk onwetend is,
heeft een tekort,
en zijn tekort is groot,
omdat hij juist te kort komt
wat hem zal volmaken.

Aangezien de volkomenheid van het Al
in de Vader verblijft,
en het noodzakelijk is dat het Al
naar Hem opstijgt
en eenieder ontvangt wat hem toekomt,
heeft Hij hen, die uit Hem voortgekomen zijn,
van tevoren opgeschreven,
nadat Hij hen voor de volkomenheid
ontvankelijk had gemaakt.

Bron: citaat uit de Nag Hammadi geschriften I
J. Slavenburg / W.G. Glaudemans

Dit bericht is geplaatst in Gnostiek. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>