Duiding hoofdstuk 41, 44, 46 en 47 van ‘Het Evangelie van de Pistis Sophia’.

De 5e , 6e, 7e en 8e Boetezang van de Pistis Sophia.

Het evangelie van Pistis Sophia verhaalt hoe Sophia – de vrouwelijke helft van de androgyne god – zonder medeweten van Pistis, haar mannelijke helft, de hemelsferen neerdaalde naar de stoffelijke wereld.
Dit was het gevolg van de verleiding der archonten, die jaloers waren op Pistis Sophia omdat die huisvesting had gevonden in de 13e Eon, die zich in de 47e hemelsfeer bevindt. De archonten schiepen hiertoe een aantal entiteiten, wiens lichtkracht sterk geleek op de Goddelijke Lichtkracht van de allerhoogste sfeer.

Toen Sophia haar zonde inzag, kon zij niet uit eigen beweging de gebieden van de chaos verlaten, en riep zij de hogere sferen aan onder de vorm van boetezangen, maar aangezien zij eerst de gunst der 12 eonen moest verkrijgen – die verdeeld zijn over de 44, 45 en 46e Hemelsfeer – en daarna de goddelijke genade, om terug te kunnen keren naar haar eigen woonplaats, was zij genoodzaakt 13 boetezangen uit te spreken, die merkwaardig genoeg veel overeenkomst vertonen met enkele psalmen van de profeet David.

Deze smeekbeden kunnen ook voor ons zeer nuttig zijn, aangezien wij, mensenzielen, dikwijls voor dezelfde obstakels staan als Pistis Sophia!

Hier volgt de tekst van de 2e, 3e en 4e boetezang, met hier en daar een commentaar ‘tussen haakjes’, van Marc van de Leest, waarbij als vergelijking de psalmen van David geraadpleegd kunnen worden. Deze zijn in volgorde te vinden onder de nummers: 69, 71, 70, 102, 88, 130, 25, 31, 35, 120, 52, 109, en 51.

5e Boetezang, hoofdstuk 41 (blz. 73)

1. O Licht van mijn heils, ik loof U lof in het gebied des hemels, zowel als in de chaos.
2. Ik zal U prijzen met mijn lofzangen; in de hemel heb ik U geprezen en waarmee ik u heb geprezen en moge de lofzang, waarmee ik U eerde toen ik in de chaos was, U bereiken, en geef acht, o Licht, op mijn berouw.
3. Want mijn kracht is met duisternis gevuld, en mijn licht is neergedaald in de chaos.
4. Ik zelf ben geworden als de archonten van de chaos, die afdaalden in de duisternissen beneden; ik ben geworden tot een stoffelijk lichaam, dat niemand in de hemel zal verlossen.
5. Ik ben geworden als de stof waaruit alle kracht is weggenomen, toe zij weggeworpen werd in de chaos, die Gij niet gered hebt, en die te gronde door Uw wet.
6. Daarom heeft men mij geplaatst in de benedenste duisternis, in duisternis en stof, die dood zijn en zonder kracht.
7. U hebt Uw wet, en alles wat Gij wilt, over mij gebracht.
8. En Uw geest is heengegaan en heeft mij verlaten. Op Uw bevel hebben de scheppingen van mijn eon mij niet geholpen, zij hebben mij gehaat en zij hebben zich van mij verwijderd; en nog ben ik niet ten volle vernietigd.
9. Mijn licht nam af, en met het licht dat mij nog restte, heb ik tot U, o Licht, geroepen en mijn handen tot U opgeheven.
10. Zult Gij dan nu, o Licht, Uw wet in de chaos voleinden en zullen de verlossers, die volgens Uw gebod zouden komen, in de duisternis opstaan, en komen, en U tot discipelen zijn?
11. Zullen zij het Mysterie van Uw naam in de chaos uitdragen?
12. Of zullen zij veeleer van Uw naam getuigen in de materie van de chaos, in welke Gij niet reinigend zult optreden?
13. Ik echter heb U, o Licht, geprezen, en mijn boetezang zal U in de hemelen bereiken.
14. Moge Uw licht op mij dalen.
15. Want zij hebben mijn licht van mij genomen en ik vertoef in smart over het Licht sinds ik geschapen ben. En toen ik omhoog had geblikt naar het Licht, en naar beneden had gekeken naar de lichtkracht in de chaos, ben ik opgestaan en afgedaald.
16. Uw wet kwam over mij en de verschrikkingen die Gij voor mij bestemd had, hebben mij in verwarring gebracht.
17. En zij hebben mij omringd als water, de ganse tijd hadden zij mij in hun greep.
18. Vanwege Uw wet konden mijn medeschepselen mij niet helpen en ook hebt Gij niet toegelaten dat mijn metgezel mij redde uit mijn nood.

6e Boetezang, hoofdstuk 44 (blz. 78)

1. Ik heb U, o Licht, in de diepste duisternis geprezen.
2. Luister naar mijn berouw, en laat Uw licht acht geven op de stem van mijn smeekbede!
3. O Licht, wanneer Gij aan mijn zonden denkt, zal ik voor U niet kunnen bestaan en Gij zult mij alleen laten.
4. Want Gij, o Licht, zijt mijn bevrijder; vanwege het licht van Uw Naam heb ik in u geloofd, o Licht.
5. En mijn kracht geloofde in Uw mysterie; en bovendien heeft mijn kracht vertrouwd op het Licht der hemelen, en zij heeft er op vertrouwd, toen zij in de chaos beneden was.
6. Mogen alle krachten in mij op het Licht vertrouwen, nu ik verkeer in de laagste duisternis, en mogen zij er ook op vertrouwen, wanneer zij in het gebied van de Hoge komen.
7. Want het licht is vol barmhartigheid en verlost ons; er is in het Licht een groot reddend mysterie.
8. En het zal alle krachten uit de chaos verlossen ter wille van mijn overtreding, want ik heb mijn gebied verlaten en ben afgedaald in de chaos.

7e Boetezang, hoofdstuk 46 (blz.81)

1. Aan U, o Licht, heb ik mijn kracht opgedragen, mijn Licht.
2. Aan U heb ik geloofd; laat mij nu niet veracht worden, en sta niet toe dat de archonten der twaalf eonen, die mij haten, zich over mij vrolijk maken.
3. Want allen die in U geloven, zullen niet te schande worden; laten zij, die mijn krachten roofden, in duisternis blijven en laat hen er geen voordeel uit putten. Laat het van hen afgenomen worden.
4. O Licht, wijs mij Uw weg, opdat ik daarop mag worden gered, en wijs mij Uw paden, opdat ik uit de chaos gered moge worden.
5. En leid mij in Uw licht en laat mij weten, o Heer, dat Gij mijn redder zijt. Te allen tijde zal ik op u vertrouwen.
6. Gij zult mij redden, o Licht, want Uw barmhartigheid is grenzeloos, eeuwig.
7. Wat betreft mijn overtreding, die ik van den beginne af in mijn onwetendheid (hier doelt ze ongetwijfeld op haar eerste, initiële zonde, namelijk de onvolmaakte schepping van Jaldabaoth, die op zijn beurt een onvolmaakte schepping deed van de ganse stoffelijke wereld, als invulling van het heelal) heb begaan, reken mij die niet toe, o Licht, doch red mij veeleer door Uw groot mysterie van schuldvergeving, ter wille van Uw goedertierenheid, o Licht.
8. Want goedertieren en rechtvaardig is het Licht. Daarom zal het mij een Weg ter Verlossing uit mijn overtreding wijzen.
9. En ter wille van mijn krachten, die versmolten zijn door de vrees voor de stoffelijke schepselen van Authades, zal het Licht naderbij komen volgens zijn bevel, en aan mijn krachten, die zijn uitgeblust door de onbarmhartigen, zal het zijn kennis geven.
10. Want alle kennis van het licht is vol verlossing en mysterie voor allen, die verlangen naar de gebieden zijner erfenis en naar zijn mysteriën.
11. Terwille van het mysterie van Uw naam, o Licht, vergeef mij mijn overtreding, want zij is groot.
12. Aan ieder die op het Licht vertrouwt, zal het Licht het mysterie geven dat hij nodig heeft.
13. En zijn ziel zal wonen in de gebieden van het Licht en zijn kracht zal de Lichtschat beërven.
14. Het Licht geeft kracht aan allen, die erin geloven; de Naam van zijn mysterie wordt geschonken aan hen die erop vertrouwen, en het zal hun doen zien het gebied van het erfgoed dat in de Lichtschat is.
15. Ik heb altijd in het Licht geloofd, want het zal mijn voeten losmaken van de banden der duisternis.
16. Wees mij genadig, o Licht, en red mij, want zelfs mijn naam is mij in de chaos ontnomen.
17. Vanwege alle emanaties zijn mijn smarten en mijn benauwdheden zeer vele geworden; verlos mij uit mijn zonden en uit deze duisternis.
18. En aanschouw de kwelling van mijn verdrukking, vergeef mij mijn overtreding.
19. Zie, hoezeer de archonten der twaalf eonen mij uit jaloersheid hebben gehaat.
20. Waak over mijn kracht en red mij, en laat mij niet in deze duisternis vertoeven, want ik heb in U geloofd.
21. En zij hebben mij voor dwaas gehouden, omdat ik vertrouwen in U had, o Licht.
22. Welnu dan, o Licht, bevrijd en red mijn krachten uit de macht der scheppingen van Authades, door wie ik verdrukt word.
Nu dan, wie helder van oordeel is, die versta.

8e Boetezang, hoofdstuk 47 (blz. 85)

1. Op U heb ik gehoopt, o Licht! Laat mij niet in de chaos; verlos mij en red mij naar de mate van Uw liefde.
2. Zie op mij neder en red mij; wees mijn Verlosser, o Licht, ja, red mij en breng mij tot Uw Licht.
3. Want Gij zijt mijn verlosser en Gij zult mij tot U leiden; leid mij en schenk mij Uw genade, ter wille van het Mysterie van Uw Naam.
4. Gij zult mij redden van de kracht met de leeuwenkop, die zij mij tot een valstrik hebben gelegd, want Gij zijt mijn verlosser.
5. En in uw handen wil ik het gereinigde van mijn licht leggen; Gij hebt mij gered, o Licht, naar Uw genade.
6. Gij hebt getoornd tegen hen die mij bewaken en mij toch niet geheel zullen kunnen overweldigen; ik heb in het Licht geloofd.
7. Ik zal mij verblijden en mij gelukkig prijzen dat Gij U over mij hebt ontfermd, en acht heb geslagen op de nood waarin ik mij bevind, en mij hebt gered. Ja, Gij zult ook mijn kracht uit de chaos bevrijden.
8. Gij hebt mij niet in de macht van de kracht met de leeuwenkop, doch mij overgebracht naar een gebied waar geen verdrukking is.
9. Erbarm U mijner, o Licht, want ik ben wederom in grote benauwdheid, evenals mijn kracht en mijn verstand.
10. Mijn kracht is begonnen te kwijnen, terwijl ik in deze benardheid verkeer, en het getal van mijn tijd, terwijl ik in de chaos verkeer. Mijn licht is verminderd, want zij hebben mij van mijn kracht beroofd, en alle krachten in mij zijn vernietigd.
11. Ik sta machteloos tegenover al de archonten der eonen, die mij haten, en tegenover de vierentwintig scheppingen, in welker gebied ik mij bevond. En mijn broeder, mijn metgezel, vreesde mij te hulp te komen, om datgene waarin ik gegrepen ben.
12. En alle archonten des hemels hielden mij voor materie waarin geen licht is. Ik ben als een stoffelijke kracht geworden, die gevallen is uit de archonten.
13. En alle bewoners der eonen zeiden:”Zij is chaos geworden”, en daarop hebben de genadeloze krachten mij direct omringd en gezegd al mijn innerlijke licht te zullen nemen.
14. Nochtans heb ik U vertrouwd, o Licht, en gezegd:”Gij zijt mijn verlosser.”
15. Het lot dat U voor mij bestemd hebt, ligt in Uw handen; verlos mij uit de macht der scheppingen van Authades, die mij vervolgen en in verdrukking brengen.
16. Zend Uw licht tot mij, want ik ben voor Uw aangezicht niets, en red mij naar Uw grote barmhartigheid.
17. Laat mij niet te schande worden, o Licht, want u heb ik geprezen. Laat de chaos de scheppingen van Authades bedekken, en mogen zij in de duisternis afgevoerd worden.
18. Snoer de mond van hen die pogen mij arglistig te overweldigen, die zeggen: “Laten wij haar gehele innerlijke licht roven”, ofschoon ik hun geen enkel onrecht heb gedaan.’

Dit bericht is geplaatst in Apocrief. Bookmark de permalink.

1 Reactie op Duiding hoofdstuk 41, 44, 46 en 47 van ‘Het Evangelie van de Pistis Sophia’.

  1. Hermes schreef:

    Het is het licht dat altijd weer doorbreekt. Het is zo we leven en ons richten op wat we diep van binnen weten dat een positieve bijdrage zal leveren hier we in het leven staan en weerstand weten te beiden aan negatieven nieuwsgaring. Een ieder mens leeft in zijn eigen frequentie van licht het zijn de frequenties van Licht elk met een eigen trilling en bewustzijnsgraad. Deze dimensies zijn zowel binnen als buiten en zowel boven als beneden ons aanwezig en weerspiegelen het Licht van ons bewustzijn. Wanneer de verbinding met de ziel en de Geest weer is hersteld, zal er sprake zijn van een grotere scheppingskracht en kan de verbinding gemaakt worden met de hoger gelegen dimensies. Om de hogere dimensies te leren verstaan, is het belangrijk dat we eerst gaan begrijpen wie wij werkelijk zijn, waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan. Deze bewustzijnsgroei is evident voor onze hele evolutie waarbij we telkens een stapje dichter bij de Waarheid komen!
    De lagere, de eerst en tweede dimensie, zijn verbonden met de astrale wereld, dan wel de niet-fysieke en onzichtbare sferen. Het groeien naar een hogere dimensie vindt plaats door je open te stellen voor meer Licht, dan je te laten beïnvloeden door de hogere dimensie. Elke dimensie laat een diffuus beweegelijk overgangsgebied zien. Elke dimensie zal dan ook eerst verankert dienen te worden en losgelaten alvorens we een nieuwe dimensie binnen kunnen gaan. Alle vastgeroeste meningen, oude normen en waarden dienen te worden overschreden wil je voldoende ruimte krijgen creëren voor nieuwe waarheden en mogelijkheden die het leven, de verandering biedt! Grenzen stellen vraagt om mededogen, maar niet langer om begrip, verwachting te koesteren omdat dit de herhaling van het ontkennen van onszelf is. Dit is dan ook werken aan je eigen bewustwording wat bijdraagt aan het collectieve bewustzijn. Het fenomeen ‘De honderdste aap’ mag hier een voorbeeld van zijn. Om met Confucius te spreken: “Alles heeft zijn schoonheid, maar niet iedereen ziet haar. Alleen de allerwijsten en de allerdwaasten veranderen nooit van mening”.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>