Ondervraagt uzelf zorgvuldig,
onderzoekt uw binnenste goed.
Ziet toe en let eens op
wat gij aan liefde in u hebt;
en wat gij er aantreft
doet dat toenemen.
Let goed op die schat,
om innerlijk rijke mensen te worden.
Wilt gij de liefde bezitten
dan moet gij uzelf zoeken
en dan moet gij uzelf vinden.
Wat schrikt gij toch terug
om u te geven,
uit vrees uzelf kwijt te raken?
Ja, als gij u niet geeft,
verliest gij uzelf.
Het is de liefde die u toespreekt
bij monde van de Wijsheid,
en zij heeft u iets te zeggen.
Gij moet dus niet terugschrikken
voor dat gezegde:
“Geef uzelf”.
Luister wat de liefde u zegt
bij monde van de Wijsheid:
“Schenk Mij uw hart, mijn zoon”.
“Schenk Mij”, zegt zij.
Wàt geven?
“Schenk Mij, mijn zoon, uw hart”.
Het was er slecht aan toe,
toen het van uzelf was,
toen het voor uzelf was.
Gij werdt immers door minderwaardigheden
en door bedenkelijke en verderfelijke liefde
meegetrokken.
Haal uw hart daar vandaan!
Waar brengt gij het naar toe?
Waar geeft gij het een plaats?
“Schenk Mij”, zegt de Wijsheid, “uw hart”.
Laat het Mij toebehoren,
en het gaat niet verloren voor u.
Zie eens of Hij iets in u
heeft willen achterlaten,
waardoor gij van uzelf kunt houden,
Hij, die gezegd heeft:
“Gij zult de Heer uw God beminnen
met geheel uw hart, geheel uw ziel
en geheel uw verstand”.
Wat blijft er over van uw hart
om uzelf te beminnen?
Wat van uw ziel?
Wat van uw geest?
“Met geheel uw hart”, zegt de Heer.
Alles eist Hij van u,
die u gemaakt heeft.
Wees daarom niet bedroefd,
alsof er niets overblijft in u
voor eigen vreugde.
Gij zult opmerken en zeggen:
“Als God mij geen ruimte laat
om mijzelf te beminnen:
als mij wordt opgedragen
met het gehele hart,
met de gehele ziel,
en het gehele verstand
Hém te beminnen die mij gemaakt heeft:
hoe wordt mij dan in het tweede gebod opgedragen,
de naaste te beminnen als mijzelf?”
God dus beminnen uit geheel mijzelf,
en mijn naaste als mijzelf.
Hoe moet ik mijzelf beminnen?
Hoe moet ik U, God, beminnen?
Wilt gij horen hoe gij uzelf moet beminnen?
Juist doordat gij God bemint
met geheel uw wezen,
bemint gij uzelf.
Als gij God liefhebt,
gaat gij erop vooruit;
dan zult gij dáár zijn,
waar gij niet ophoudt te zijn.
Gij werpt natuurlijk op en zult zeggen:
“Wanneer heb ik mijzelf dan niet bemind”?
Ja, gij beminde uzelf niet,
toen gij God niet beminde
die u gemaakt heeft.
Toen gij dan uzelf haatte,
dacht gij dat gij uzelf liefhadt.
Toch is het zo:
“Wie de ongerechtigheid bemint,
haat zijn eigen ziel”.
Bron: Augustinus-Brevier / samengesteld door Louis Janssen o.s.b. – Leuven: Castrum W.Z.W. Abdij Keizersberg, [1984]. dagtekst van 19 augustus. Augustinus schreef dit in Carthago tussen 17 en 24 mei 418.



