Scheppingsverhaal, Het oudste

Honderden, misschien wel duizenden, jaren vóór het bijbelse boek Genesis, bestond het scheppingsverhaal reeds als overlevering, en werd in het oudste schrift ter wereld - het spijkerschrift - vastgelegd.
We spreken hier over de Soemerische beschaving die haar oorsprong vond in het zogenoemde Tweestromenland: het gebied tussen de Tigris en de Eufraat.
We weten intussen dat het ontstaan van ons stoffelijk heelal slechts een “tweede schepping” is, als gevolg van misdragingen in de eerste (goddelijke) en onstoffelijke schepping.

De aanhef in het boek Genesis: “In de beginne schiep God hemel en aarde” is dan ook een misleiding omdat deze scheppingsdaad door meerdere goden (archonten) bewerkstelligd werd.
Reeds in de 19de eeuw vertaalde een Frans geleerde de eerste zin van de bijbel als: “In den beginne schiepen goden en godinnen…”, maar dit werd door de kerk als een onzinnige interpretatie van de baan geschoven.
Maar laat ons eens kijken naar het oudste scheppingsverhaal der Soemeriërs, ons bekend onder de titel: Enuma Elish.

We stellen met name vast dat de dualiteit reeds van in het begin aanwezig is, en de schepping ook uitgevoerd wordt door dualistische wezens! Het is dus overduidelijk dat ook dit scheppingsverhaal enkel de “tweede” schepping verhaalt.
Uiteraard krijgen goden, godinnen, engelen en demonen andere benamingen, en worden ook uitdrukkingen gebruikt eigen aan de Soemerische cultuur, maar dat maakt in wezen geen enkel verschil.
Het grote voordeel is hier echter, dat geen enkele autoriteit hoe dan ook wijzigingen en/of interpretaties heeft kunnen toevoegen. We hebben hier te maken met een “zuiver” scheppingsverhaal.
Ik gebruik hier de uitstekende Nederlandse vertaling van Selma Schepel, zoals die uitgegeven werd in 2002:

Deel 1.
Toen boven de hemelen nog niet genoemd waren,
het land beneden nog geen naam had,
Apsu, de allereerste, hun verwekker,
en oermoeder Tiamat, hun aller moeder,

(Apsu en Tiamat vertegenwoordigen hier duidelijk de mannelijke en vrouwelijke helften van de ons bekende androgyne Jaldabaoth, de hoofdarchont.)

hun wateren zich mengden,
het grasland niet gebonden was, het rietland niet gevlochten,
toen geen van de goden was verschenen,
nog niet bij naam genoemd, geen lot bepaald (…)
toen werden goden gevormd in hun diepte,
ontstonden Lahmu en Lahamu, werden bij naam genoemd.
Toen zij groot werden, waren volgroeid,
werden Anshar en Kishar geschapen, zij staken boven hen uit.
Zij verlengden de dagen, voegden jaren toe.

(Dit kan geïnterpreteerd worden als het invoeren en afstellen van de tijd in het nog te scheppen stoffelijk heelal.)

Anu, hun erfzoon, kon zich met zijn vaderen meten.
Anshar maakte zijn eerstgeborene aan zichzelf gelijk
en Anu bracht Nudimmud voort, zijn evenbeeld.
Nudimmud overtrof zijn ouders, scherpzinnig, wijs, oersterk,
veel sterker dan Anshar, zijn vaders verwekker,
heeft hij geen gelijke onder zijn goddelijke kameraden.
Wanneer de goddelijke jeugd bij elkaar kwam,
maakten zij Tiamat dol; hun geschreeuw zwol aan
en zij werkten Tiamat op de zenuwen.
Met hun gedans veroorzaakten zij onrust in het hemels verblijf.
Apsu wist hun herrie niet te bedaren
en, al zei Tiamat er niets over,
zij vond hun gedrag tegenover haar erg vervelend.
Al was hun gedoe hinderlijk, zij liet hen begaan.
Toen ripe Apsu, verwekker der grote goden, Mummu,
zijn trouwe dienaar, en zei tegen hem:
‘Mummu, trouwe dienaar die mijn hart blij maakt,
komt hier en laat ons naat Tiamat gaan.’
Zij gingen voor Tiamat zitten, en beraadslaagden
over het vraagstuk van hun goddelijke zonen.

(Deze goddelijke zonen zijn generaties van zonen en kleinzonen, wat duidt op de ongecontroleerde en soms onverantwoorde scheppingen van nieuwe goden door de archonten. Het is in deze welig tierende godenwereld dat ook engelen en demonen ontstonden. Demonen zijn dus géén gevallen engelen zoals maar al te graag door kerk en new-age-bewegingen beweerd wordt, maar “dienaren”, die voor alle mogelijke doeleinden door de archonten geëmaneerd werden.)

Apsu deed zijn mond open en zei tegen haar, de doorluchtige:
‘Hun gedrag begint me te hinderen,
overdag vind ik geen rust, ‘s nachts slaap ik niet.
Ik wil hun bewegingen vernietigen, laten verdwijnen,
opdat er weer stilte heerst, en wij kunnen slapen.’
Toen Tiamat dit hoorde, werd ze woedend,
voer uit tegen haar echtgenoot, en kloeg bitter in zichzelf,
tobbend over het boze plan:
‘Hoe kunnen wij vernietigen wat we zelf geschapen hebben?
Al is hun gedrag hinderlijk, laat ons toch geduld hebben.’
Mummu antwoordde en raadde Apsu aan;
de trouwe dienaar stemde niet in met het voorstel van zijn oermoeder:
‘Vernietig toch, vader, dat dolmakende gedrag,
zodat u rust vindt overdag, en ‘s nachts kunt slapen.’
Hij maakte hem blij, Apsu’s gezicht klaarde op omdat hij kwaad
in de zin had, tegen de goden, zijn zoons.
Hij legde zijn armen om Mummu’s hals,
hij ging op zijn schoot zitten, kuste hem.
Wat zij beraamden in hun vergadering
werd doorverteld aan hun goddelijke zonen.
De goden hoorden het aan en raakten in de war.
Zij waren met stomheid geslagen, zaten zwijgend terneer.
De zeer wijze, ervaren, kundige Ea, die alles begrijpt,
vond een oplossing voor hen, bedacht het hele plan,
en concretiseerde het,
schiep een wonder, een machtige magische formule,
die hij reciteerde en op de wateren deed rusten.
Slaap goot hij over hem uit; hij sliep goed.
Apsu liet hij slapen. Terwijl hij de slaap uitgoot,
keek Mummu, de raadgever, ademloos toe.
Hij (= Ea) rukte zijn gordel af, greep zijn kroon,
nam zijn goddelijke straling.
Apsu bond hij vast en stak hem dood.

(Een onstoffelijke god ‘doden’ is niet zo evident als hier verteld wordt.
Maar we moeten deze daad interpreteren als een ‘kosmische tussenkomst’ om de godenwereld niet te laten vernietigen, zoals trouwens Tiamat al argumenteerde. De eigenlijke stoffelijke schepping is nog niet eens begonnen, en de goden bevinden zich al in onenigheid! Het is dus niet eens nodig om over een moord te spreken, maar over een soort ‘eeuwige slaap’ van de god Apsu. Maar dit betekent natuurlijk wel dat de mannelijke helft van de Demiurg buiten spel is gezet! We zullen hieronder zien dat een zekere Ea die plaats zal innemen, om nadien de stoffelijke schepping te voleindigen via Marduk, zijn zoon. In de gnostische lering en literatuur vinden we hierover niets terug, maar dat heeft geen verdere invloed op de schepping zelf. Er bestaat nochtans een zeer duidelijke parallel met iets dat wèl tot de gnostische lering hoort, namelijk Sophia, die zonder haar mannelijke wederhelft tot acties is overgegaan! Een verband is niet ondenkbaar…)

Mummu nam hij gevangen, zette hij klem.
Hij vestigde zijn woonplaats bovenop Apsu.
Mummu greep hij en hield hem aan een neusring beet.
toen Ea de bozeriken gebonden had, gedood,
zijn triomf op zijn vijand behaald, rustte hij in zijn kamer,
hij rustte er uit en noemde het Apsu.
Hij stichtte er heiligdommen, grondvestte zijn woning,
en Ea en Damkina, zijn echtgenote, gingen er wonen in majesteit.
In de Kamer der Lotsbestemmingen,
de zaal van de goddelijke plannen, werd god de Heer verwekt,
de wijste der wijzen, de meest vorstelijke onder de goden:
midden in Apsu werd Marduk geschapen.
Ea, zijn vader, schiep hem,
Damkina, zijn moeder, lag met hem in het kraambed.

(De “Kamer der Lotsbestemmingen” is uiteraard geen stoffelijke locatie, en kan geïnterpreteerd worden als het verblijf van de ‘Heren van Karma’, die beslissen over de incarnaties der zielen. Ook Melchisedek kan hier geplaatst worden, als de ‘boekhouder’ der hemelen: hij en hij alleen, kent het “getal” dat het aantal zielen bepaalt dat uiteindelijk zal mogen terugkeren naar de eerste schepping.)

Hij zoog aan de borst van godinnen.
Een voedster bracht hem groot, vulde hem met verschrikking.
Zijn gestalte was overweldigend, de blik van zijn ogen verblindend.
Vanaf zijn geboorte was hij mannelijk,
machtig van het begin af aan.
Anu, zijn vaders schepper, zag hem en raakte opgetogen,
zijn hart vulde zich met vreugde,
hij maakte hem perfect, gaf hem dubbele goddelijkheid.
Hij torende boven de anderen uit,
alles aan hem was bijzonder groot.
Zijn ledematen waten onvoorstelbaar
en wonderbaarlijk vormgegeven, onbegrijpelijk, nauwelijks vatbaar.
Vier ogen kreeg hij, vier oren.
Als zijn lippen bewogen, vlamde er vuur op.
Zijn gehoor was verviervoudigd,
zijn ogen evenzo, zij overzagen alles.
Verheven was hij onder de goden, zijn gestalte was enorm,
zijn ledematen waren massief, zijn wezen overgroot.

(Marduk wordt, ingevolge deze beschrijving, wel eens vergeleken met de ‘reuzen’ in de bijbel en het boek Henoch. Maar wij weten nu dat het daar over een heel andere soort wezens gaat!)

Hij was bekleed met de schitterende glans van tien goden,
zo verheven getooid.
De Vijftig Verschrikkingen waren in hem verenigd.

(De vijftig verschrikkingen zijn niet zo negatief bedoeld als ze klinken, maar zijn ‘goddelijke machten’, die in hem zowel positief als negatief kunnen gebruikt worden. In de Kosmische Hiërarchie kennen wij de zeven goede en zeven slechte machten.)

Anu schiep de Vier winden, bracht ze voort en stelde ze hem ter hand:’Laat mijn zoon spelen’.

(Dit zou wel eens de aanzet kunnen zijn tot wat wij kennen als occulte spelletjes en astrologie.
In het Soemerische scheppingsverhaal worden deze winden echter ook letterlijk gebruikt om stof te doen opwaaien, met de bedoeling Tiamat lastig te vallen. Zij gaat dan over tot het creëren van een leger goden, slangen, draken, en meer van dat tuig, om de strijd aan te binden met Marduk. Dit hele oorlogsverhaal is evenwel minder interessant voor onze studie).

In een volgend artikel bespreken we deel 2.

Geraadpleegde werken:
- Enuma Elisj (Selma Schepel) 2002
- La Langue Hébraïque restituée (Fabre-D’Olivet) 1975

Door: Marc van de Leest

Dit bericht is geplaatst in Gnostiek. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>