Pistis Sophia, ‘Het Evangelie van’, duiding hfs 32, 1e Boetezang

Van de 148 hoofdstukken die het Evangelie van de Pistis Sophia telt, raken velen verstrikt in de veelheid aan moeilijke begrippen en lastige zinnen. Dat nodigt niet altijd uit om verder te lezen! Daarom een woord van uitleg.

Eerste boetezang van Sophia (blz. 58).

Het evangelie van Pistis Sophia verhaalt hoe Sophia – de vrouwelijke helft van de androgyne god – zonder medeweten van Pistis, haar mannelijke helft, de hemelsferen neerdaalde naar de stoffelijke wereld.
Dit was het gevolg van de verleiding der archonten, die jaloers waren op Pistis Sophia omdat die huisvesting had gevonden in de 13e Eon, die zich in de 47e hemelsfeer bevindt. De archonten schiepen hiertoe een aantal entiteiten, wiens lichtkracht sterk geleek op de Goddelijke Lichtkracht van de allerhoogste sfeer.

Toen Sophia haar zonde inzag, kon zij niet uit eigen beweging de gebieden van de chaos verlaten, en riep zij de hogere sferen aan onder de vorm van boetezangen, maar aangezien zij eerst de gunst der 12 eonen moest verkrijgen – die verdeeld zijn over de 44, 45 en 46e Hemelsfeer – en daarna de goddelijke genade, om terug te kunnen keren naar haar eigen woonplaats, was zij genoodzaakt 13 boetezangen uit te spreken, die merkwaardig genoeg veel overeenkomst vertonen met enkele psalmen van de profeet David.

Deze smeekbeden kunnen ook voor ons zeer nuttig zijn, aangezien wij, mensenzielen, dikwijls voor dezelfde obstakels staan als Sophia!

Hier volgt de volledige tekst van de boetezangen van Sophia, met hier en daar een commentaar ‘tussen haakjes’, van Marc van de Leest, waarbij als vergelijking de psalmen van David geraadpleegd kunnen worden. Deze zijn in volgorde te vinden onder de nummers: 69, 71, 70, 102, 88, 130, 25, 31, 35, 120, 52, 109, en 51.
Eerste boetezang.

1. ‘O Licht der Lichten, waarin ik van den beginne geloofd heb, wil nu, o Licht, naar mijn berouw luisteren. Red mij, o Licht, want slechte gedachten zijn bij mij binnengeslopen.

2. Ik had mijn blik gericht op de lagere gebieden en zag daar een licht dat mij tot de gedachte bracht: Ik wil tot dat gebied gaan, om mij dit licht toe te eigenen. En ik ging, doch bevond mij aanstonds in de duisternis die in de chaos beneden is, en ik was niet bij machte mij te verheffen en naar mijn gebied terug te keren, want de schepselen van Authades (een gevallen god, in dienst van de archonten) verdrongen zich rondom mij en de kracht met de leeuwenkop (hiermee wordt de hoofdarchont bedoeld, Jaldabaoth. Niettegenstaande deze een schepping was van Sophia zèlf, kon zij hem niet herkennen, wat gezien moet worden als een gevolg van een ‘onvolmaakte’ schepping. Sophia wàs namelijk niet volmaakt omdat zij toen – ook al zonder medeweten van Pistis – overging tot scheppen)
ontnam mij mijn licht.

3. En ik schreeuwde om hulp, doch mijn stem kon niet door de duisternis heendringen, en ik hief de blik ten hemel, opdat het licht, waarin ik geloofd had, mij te hulp mocht komen.

4. Maar toen ik opwaarts keek, zag ik de ganse menigte der archonten der eonen op mij neerkijken en zich over mij vrolijk maken, hoewel ik hun niets kwaads had gedaan, en zij haatten mij zonder reden.
(De reden was pure jaloezie, maar daar was Sophia zich niet van bewust). En toen de schepselen van Authades de vreugde van de archonten der eonen mij niet zagen, wisten zij dat de archonten der eonen mij niet te hulp zouden komen en deze schepselen, die mij onrechtmatig pijnigden, putten daaruit moed, en het licht dat ik van hen niet genomen heb, hebben zij van mij genomen.

5. Daarom, o Licht der Waarheid, Gij weet dat ik dit in mijn onschuld gedaan heb, want ik was in de mening dat het licht met de leeuwenkop aan U behoorde, en mijn zonde heb ik U beleden.
(De échte zonde is in feite haar ongeduld: zij had namelijk haar verblijf in de 13de eon nog niet ‘voleindigd’ – zoals dat in bijbel taal heet – en wilde dus te haastig naar het licht gaan).

6. Laat mij niet moeten ontberen (in nood verkeren), o Heer, want ik heb van den beginne in Uw licht geloofd. O Heer, o Licht der Krachten, laat mij niet mijn licht ontberen.

7. Want om uwentwil en ter wille van Uw Licht ben ik in deze benauwdheid geraakt, en schaamte bedekt mij.

8. Ter wille van Uw licht ben ik mijn broederen, de onzichtbaren, en de grote scheppingen van Barbelo (Deze is de eerste eon, geschapen door God, als doorbreking van de tijdloosheid, die zich derhalve in de 48e hemelsfeer bevindt. De naam Barbelo betekent : “Eerste Gedachte”, en het was ook deze eon dat bij de Schepper om een vrije wil verzocht voor alle goden) tot een vreemde geworden.

9. Dit alles is mij overkomen, o Licht, omdat ik zo vurig Uw woonstede zocht, en de toorn van Authades (dat is hij die niet gehandeld heeft naar uw bevel, om te scheppen naar het maaksel van zijn kracht), omdat ik mij in zijn eon bevond zonder zijn mysterie te volbrengen.

10. En alle archonten der eonen bespotten mij.
(Het gaat hier niet alleen om de 12 archonten zoals die in de Nag Hammadi geschriften besproken worden, maar alle negatieve en duistere entiteiten die zich in de astrale sfeer bevinden ; dit kan voor verwarring zorgen).

11. Ik verkeerde in dit gebied in diepe droefheid en vol verlangen naar het Licht dat ik in de Hoge gezien had.

12. En de wachters aan de poorten der eonen onderzochten mij, en allen die in hun mysterie verblijf houden, bespotten mij.

13. Doch ik richtte mijn oog omhoog tot U, o Licht, en geloofde in U. Maar in de duisternis van de chaos (de chaos moet gerekend worden vanaf de 7e hemelsfeer, het rijk der archonten, maar ook die daaronder: de stoffelijke wereld. De Chaos is dus de volledige dualistische wereld) ben ik, o Licht der Lichten zeer terneergeslagen en benauwd. Zo Gij zoudt willen komen om mij te verlossen – Uw barmhartigheid is daartoe groot genoeg, hoor mij dan in waarheid en red mij.

14. Red mij uit de materie dezer duisternis, opdat ik daarin niet onderga, zodat ik van de scheppingen van Authades, die mij benauwen, en uit hun boosheden gered worde.

15. Laat deze duisternis mij niet doen verzinken, en laat niet toe dat de kracht met de leeuwenkop al mijn kracht verslindt en de chaos mijn kracht bedekt.

16. Verhoor mij, o Licht, want Uw genade is zeer groot, en zie op mij neder overeenkomstig de barmhartigheid van Uw licht.

17. Wend Uw aangezicht niet van mij af, want ik ben hevig gekweld.

18. Verhoor toch spoedig mijn gebed en red mijn kracht.

19. Verlos mij van de archonten die mij haten, want Gij kent mijn benauwdheid en mijn leed en de marteling van mijn kracht die mij ontnomen is. Zij die mij dit alles hebben aangedaan zijn vóór U (voor uw aangezicht); doe hun naar het Uw goeddunken.

20. Mijn kracht keek uit vanuit het midden van de chaos en vanuit het midden der duisternis; ik wachtte of mijn metgezel (verbondene, Pistis, haar mannelijke wederhelft)
zou komen om voor mij te strijden, doch hij kwam niet, hoewel ik had verwacht dat hij zou komen en mij kracht verlenen, en ik heb hem niet gevonden.

21. Toen ik naar het Licht zocht, gaven zij mij duisternis en toen ik mijn kracht zocht, gaven ze mij materie.

22. Nu dan nu, o Licht der Lichten, moge de duisternis en de materie, over mij gebracht door de schepselen van Authades, hun tot een valstrik worden; mogen zij zelf daarin verstrikt worden, en vergeld Gij hun en laat hen struikelen en niet het gebied van hun Authades bereiken.

23. Laat hen in de duisternis blijven en laat het Licht niet aanschouwen; laat hen voor immer schouwen in de chaos en nooit in de hemel.

24. Uw wraak over hen en Uw gericht moge hen straffen.

25. Sluit hen uit het gebied van hun Authades en verhinder zijn schepselen om tot hun gebieden te gaan; want hun god is goddeloos en onbeschaamd, menende dat hij dit kwaad uit zichzelf had gedaan, zonder te weten dat, wanneer ik niet naar Uw bevel vernederd was geworden, hij geen macht over mij zou hebben gehad.

26. Doch toen Gij mij door Uw bevel had vernederd, hebben zij mij des te meer vervolgd en hun scheppingen voegden leed toe aan mijn vernedering.

27. Mijn lichtkracht namen zij van mij af en zij vielen mij opnieuw aan om mij in benauwdheid te brengen en mij van al mijn licht te beroven. Laat hen om hetgeen zij mij gedaan hebben niet opstijgen tot de dertiende eoon, het gebied van gerechtigheid.

28. En laat hen niet gerekend worden tot hen, die zichzelf en het Licht reinigen, en laat hen niet worden gerekend tot hen die snel berouw voelen, opdat zij schielijk mysteriën van het Licht zullen ontvangen.

29. Want zij hebben mijn licht van mij genomen en mijn lichtkracht is mij ontzonken; en ik ben van mijn licht verstoken.

30. Nu dan, o Licht dat in U is en dat met mij is, ik prijs Uw naam, o Licht, in heerlijkheid.

31. Moge mijn loflied U welgevallig zijn, o Licht, als ware het een uitnemend mysterie, dat binnenvoert (ontvangen wordt) in de poorten des Lichts, en dat uitgesproken wordt door de berouwvollen en welks Licht hen zal reinigen.

32. Laat alle stof zich thans verheugen; zoek allen het Licht, opdat de kracht uwer zielen, die in u is, leve.

33. Want het Licht heeft de materiën verhoord en er zal geen materie ongereinigd worden gelaten (mooie bevestiging dat het rad van reïncarnatie ooit volledig zal eindigen).

34. Moge de zielen en de materiën en al wat zich in de materiën bevindt, de Heer aller eonen loven.

35. Want God zal hun zielen uit alle materiën redden en er zal in het Licht een stad worden toebereid, en alle zielen die gered worden, zullen in die stad wonen en zullen haar beërven.

36. En de zielen van hen die mysteriën zullen ontvangen (het ‘ontvangen’ van mysteries staat voor ‘toegang verkrijgen’ tot de hemelsferen. Een verlichte ziel treedt de 7e sfeer binnen, en heeft dan dezelfde lichtkracht als de archonten, waardoor hun verleidingen geen vat meer zullen hebben. Vanaf de 8e sfeer wordt de ‘verloste’ ziel dan begeleid door de aartsengelen om alle andere sferen – steeds een trapje hoger in bewustzijnsniveau – te betreden en er de lessen te leren. Het is uiteindelijk de bedoeling om de 49e hemel te vinden, om één te worden met Goddelijke Vader), zullen in dat gebied verblijven en allen die in zijn naam mysteriën hebben ontvangen , zullen aldaar verkeren.

Dit bericht is geplaatst in Apocrief. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>