Hoe verhoudt zich de menselijke wil tot de Goddelijke Wil en wat vermag de Goddelijke Wil te doen?
De wil kan veel bereiken; het kan zelfs dingen teweegbrengen die we haast niet voor mogelijk houden. Wil kan een energie oproepen die ons kan leiden tot het verrichten van enorme dingen, zelfs onder ondraaglijke omstandigheden. Soms lijkt het alsof we kunnen beschikken over een onuitputtelijke energie. Toch ligt er een verschil tussen de persoonlijke wil en Gods Wil. Het kan een grote bron van misverstanden zijn.
We weten allemaal hoe de persoonlijke wil een enorme macht kan uitoefenen als deze wordt aangewend voor een speciaal doel. Als we gemotiveerd zijn, zal deze wil positief worden aangewend (dit hoeft niet altijd een positief resultaat op te leveren in de zin van goed versus slecht). Deze wil is direct het gevolg van de persoonlijke motivatie; het werkt hand in hand en zo kan het heel wat bewerkstelligen. Niet alleen rondom ons, maar ook innerlijk.
Wat is “wil” nu eigenlijk?
Er ligt een onderscheid tussen wil en Wil! Wanneer de kleine wil iets “uitprobeert” vanuit het kleine “ik” kan het erg ver gaan. Die kleine “wil” kan heel veel bereiken omdat het energie aantrekt uit de dualistische omgeving die hem in staat stelt om díe zaken te bereiken die als doel worden gesteld. Maar het is duidelijk dat zoiets niet Verlossend is en vaak ook niet in overeenstemming met de goddelijke Wil of Liefde; het blijft dus altijd beperkt. Het kan niet anders en zolang de innerlijke wil slechts in overeenstemming is met het dualistische, emotionele centrum waar de motivatie huist, en dus niet verbonden is met ons hart waar onze goddelijke vonk huist, dan is het slechts een luciferische wil. En dit is geen goddelijke Wil.
De luciferische wil is slechts gericht op wereldse doeleinden. Om de wil juist uit te oefenen zal er te allen tijde een brug moeten zijn tussen het hoofd (waar de wil zetelt) en het hart (waar de Goddelijke liefde zetelt). Alleen zo is er sprake van een balans waardoor een heel ander soort energie kan worden aangetrokken. Wanneer we in staat zijn de energie van de goddelijke Wil aan te trekken, omdat men dingen doet die overeenstemmen met wat Spirit aanmoedigt (het hart is dan geheel afgestemd op het hoofd en omgekeerd), dan zijn de effecten absoluut ongelimiteerd omdat Spirit zelf ongelimiteerd is. De effecten zijn slechts beperkt tot datgene dat Spirit zich gezien de beoogde resultaten als doel stelt. Die Wil is feitelijk geen Wil meer, maar slechts een onbegrensd en rotsvast Vertrouwen in dingen die “toevallig” gedaan moeten worden. Zo iemand werkt dan in en met God en is zich in wezen niet eens echt bewust dat hij wonderen verricht of dingen doet die mirakels zijn.
God is niet echt geïnteresseerd in deze fysieke wereld. Tenzij hier iets te bereiken of om te vormen is. Deze wereld is geschapen voor het doel om mensen te leren hun individuele zelf en van daaruit ook hun Ware Zelf te leren kennen.
Deze onvolkomen wereld is volmaakt geschapen in zijn onvolkomenheid. Niemand, en dus ook God niet, heeft er behoefte aan om dit te veranderen of om zich daarmee te willen verbinden. Want waarom zou God zich willen verbinden met materie, met zijn eigen schepping?
Wetende dat dit niet de sferen zijn van Gods Koninkrijk?
God is slechts geïnteresseerd om zielen terug te halen naar hun werkelijke domein.
Om ze bewust te maken van hun Ware Oorsprong; dat is de enige reden dat Geest neerdaalt in een mens die zich daarvoor heeft gereinigd. God kan niet indalen in een ‘ongereinigde’ en hulpeloze, want onwetende mens; een mens die slechts handelt vanuit zijn onbeheerste lagere emoties, driften en lagere intellect.
Gods werk ligt dus absoluut niet in deze wereld. Gods werk is zielen te laten ontwaken en zielen bewust maken. Gods werk is hetzelfde als het goddelijke Plan; om het leven naar Volmaaktheid te stuwen. Vanuit dit werk laat Gods Wil zich heel gemakkelijk verklaren. Gods Wil is het aan de mens te vragen datgene te doen dat is afgestemd op dit Heilige werk. En natuurlijk zijn er vele variaties van dit werk aan te geven. Zelfs pragmatisch werk dat betekenis heeft in deze dualistische maatschappij kan hiertoe dienen. Maar het dient wel rechtstreeks verband te houden met Gods werk. Het is de motivatie die een groot verschil maakt tussen ons gewone dualistische werk dat ertoe dient om de mens, dat kleine zelf te onderhouden, en Gods Werk dat ertoe dient om de mens bewust te maken dat hij zijn aandacht moet geven aan het werk om zijn Ware Zelf te gaan onderhouden. En die van anderen, wanneer men zover is dat men dat andere Ware Zelf van onze buurman kan onderscheiden en Roepen.
Het zal duidelijk zijn dat het verrichten van Gods Wil om zijn Werk te doen ook een ontzagwekkende energie oproept. Het is een energie die vele Mysteries in zich herbergt. Wanneer iemand werkelijk het Pad volgt en de aspirant almaar leger wordt, zullen naarmate Geest verder kan indalen die Mysteries zich geleidelijk aan in ons gaan openbaren. En met het volgen van het Pad verschijnt een diep geloof gevolgd door een diep Vertrouwen in de werking van Gods Werk en de juistheid van Gods Wil. Dit Vertrouwen Verlicht hem; het schijnt door hem heen.
Hij heeft dit ook nodig, want er zal veel tegenstand zijn wanneer mensen die gedreven zijn door Gods Wil hier hun werk doen om zielen te vinden en hen Bewust te maken. Alle aeonen en archonten zullen zich op hen storten om hun werk te bekritiseren, belachelijk te maken, rechtstreeks tegen te werken of zelfs om hen te laten achtervolgen. De geschiedenis wijst dit uit.
Iemand die samen met God wandelt krijgt een onbegrensd en rotsvast Vertrouwen in de werking van die Wil. De Waarheid wordt voor hem een rots. Het is dat onbegrensde Vertrouwen dat deze Wil aanzet om dit in deze wereld ook te realiseren. Deze Wil is niet meer geboren vanuit het lagere zelf, maar wordt rechtstreeks aangetrokken uit de goddelijke sferen. Deze Wil komt voort uit het onvoorwaardelijke en rotsvaste Vertrouwen dat datgene waar men mee bezig is gewoon kan; neen, moet en zal gebeuren omdat men al weet. Het is slechts het realiseren in de stof van wat men in de geest al weet of kent.
Een oppervlakkige toeschouwer zou kunnen zeggen dat zo’n persoon een geweldige wil heeft maar dit is niet zo. Hij wordt slechts gedreven door zijn innerlijke overtuiging en dat rotsvaste Vertrouwen. Hij wordt gedreven door Geest. Dit weten roept een enorme Macht en Kracht op om door te gaan en zelfs om schijnbaar hopeloze spirituele zaken (in de ogen van de wereldse mens) toch te realiseren. Zelfs om wonderen te verrichten, want het is geboren uit een simpel weten dat deze dingen moeten gebeuren, aangemoedigd en zelfs geïnspireerd door Geest.
En waarom zouden we die inspiratie van Geest niet volgen? Dit nu is Gods Wil om dingen te bereiken in de stof. Daarom, Goddelijke Wil is niet echt een Wil. Het is slechts uitvoeren wat Spirit al weet en al in onze geest gerealiseerd heeft. Ieder mens kan zo’n Wil uitvoeren, wanneer hij/zij dit onbegrensde Vertrouwen maar heeft, geworteld in zijn/haar hart. Zie ook hoe een intellectueel mens een houding van een zachtmoedig kind in de weg kan staan. Een intellectueel kan de neiging hebben om alles te willen beredeneren en dus af te wegen naar wereldse normen. En vaak doen we dingen dus juist niet, hoewel we ze wel voelen te moeten doen omdat ons intellect tegen ons zegt dat zulke dingen niet mogelijk zijn of daar angstig (dus geen vertrouwen heeft) tegenover staat.
Het is altijd het ego dat vaak via het intellect die Goddelijke Wil verwerpt en dus opnieuw de barrière vormt. De Waarheid dient eerst te worden geïntegreerd als een rotsvast weten, gedragen door een diepe kennis van de Gnostische Waarheid. Geest en dus geloof en ook kennis worden als een rots door de Waarheid. En dan kan Gods Wil betekenis krijgen in de uitvoering of het scheppen van zaken. Pas dan kan iemand met God wandelen.
Dit nu is de betekenis van Jezus’ woorden tegen Petrus, toen laatstgenoemde zijn onvoorwaardelijke Vertrouwen uitsprak jegens Jezus, waarop Jezus tegen hem zei:
“Ik zeg jou: jij bent Petrus; op die steenrots [van rotsvast Vertrouwen] zal ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar er niet onder krijgen”. [Mattheus 16:18]




