Toen Albert Einstein in het begin van de 20ste eeuw aantoonde dat tijd en ruimte onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn, stond de wetenschappelijke wereld behoorlijk op zijn kop. Men kon niet meer spreken over wat er gebeurde vóór de big-bang, omdat zowel tijd als ruimte pas ontstaan zijn mèt die big-bang. De klassieke theorieën zeggen hierover dat alle energie van het heelal - zowel materie als straling - ooit samen geperst zaten in één punt, van waaruit de big-bang zich dan manifesteerde.
De wetenschap zat hier echter met een probleem: aangezien een punt geen afmetingen heeft, moet de energiedichtheid oneindig groot geweest zijn. Zulk een punt noemt men een singulariteit. Om hiervan af te geraken, werden theorieën ontwikkeld die resulteerden in een oscillerend heelalmodel, wat wil zeggen dat het heelal eerst uitdijt om dan, na een stilstand, terug in te krimpen. Wanneer al die energie samengedrukt zit in een bijna-punt(!), ontploft de hele boel terug, en krijgen we weer een nieuw uitdijend heelal. Hiermee wordt het probleem van een eventuele schepping vermeden, aangezien het heelal altijd maar zal blijven krimpen en uitdijen, en het probleem van de singulariteit is óók opgelost omdat er nooit één enkel punt aan te pas komt. Maar in de jaren 1990 kwam een einde aan deze droom: er werd onomstotelijk aangetoond dat ons heelal niet vertraagd uitdijt, om daarna te kunnen inkrimpen, maar versneld! We zitten dus opgescheept met een éénmalig heelal dat eeuwig zal blijven uitdijen, en dat brengt de vraag naar het ontstaan ervan terug in de actualiteit.
Laat ons beschouwen waarover het hier gaat: De big-bang is de ‘oorzaak’ van ons bestaan, maar ook van de tijd en de ruimte waarin wij ons bevinden. Dat betekent dat er vóór het ontstaan van het heelal (als we dat zo al mogen uitdrukken) geen tijd en plaats wàs. Dit is voor ons, stoffelijke wezens, moeilijk voor te stellen: er was geen ruimte, dus er was zelfs geen plaats om iets te laten gebeuren…
Hoe kan de big-bang dan “gebeurd” zijn? Wanneer iets ontstaat uit helemaal niets, zijn we wel verplicht te spreken over een schepping. Maar door wie of wat ? Als er geen plaats en tijd was, kan er ook geen eeuwig levende god bestaan, of bestaan hebben. Als we dus de idee van een schepping willen aanvaarden, moeten we ons iets onafhankelijks van tijd en ruimte voorstellen. Een psychische entiteit, of geest, of spiritueel wezen, of welke naam we ook bedenken, kan wel bestaan zonder ruimte, aangezien er helemaal niets stoffelijks aan te pas komt. Maar aangezien er ook geen tijd bestaat, moet zo’n wezen zich bevinden in een staat van totale onmiddellijkheid. Dit is voor de mens een moeilijk begrip, maar we dienen ons toch voor te stellen dat zo’n entiteit gewoon geen tijd nodig heeft om bijvoorbeeld een beslissing te nemen…In dat geval heeft die entiteit, noem hem bijvoorbeeld gewoon God, géén eeuwig leven, maar een tijdloosheid.
“Tijdloos” is zeker geen synoniem van “eeuwigheid”, omdat dit laatste een tijdsduur heeft, en het eerste per definitie niet. Aan al deze beschouwingen heeft de wetenschap geen boodschap: dit valt “buiten het terrein”, zoals zij dat zeggen. Daarom zijn we wel verplicht te gaan zoeken bij andere bronnen, en die zijn beperkt: enkel de religie kan ons antwoord geven. Hier duikt onmiddellijk een probleem op: welke godsdienst kan ons helpen? Er zijn zoveel verschillende geloofssystemen in deze wereld, die allemaal aangeven de juiste lering te hebben. De waarheid moet ergens tussenin liggen: alle religies zijn een beperkte weergave van een hogere lering, die niet alleen door de tijd verloren gegaan is, maar ook door het verzwijgen en achterhouden door de religieuze leiders, door de geschiedenis heen.
Deze oorspronkelijke lering noemt men de gnostiek. Laat er vooraf geen misverstanden zijn: de gnostiek is niet nieuw: géén sekte, géén nieuwe godsdienst, maar een kennis die al minstens 2500 jaar bestaat.



