Eckhart sprak tot een arme man:
“God geve u een goede morgen.”
“Heer, heb deze zelf, ik kreeg nimmer een slechte.”
“Vertel mij waarom, broeder?”
“Alles wat God mij ooit te lijden gaf, dat lijd ik vrolijk door Hem en het toonde mij Hem onwaardig te zijn en daarom werd ik nimmer treurig of bedroefd.”
“Waar vond gij God?”
“Toen ik mij vrijmaakte van alle schepselen, vond ik God.”
“Wat bent u, broeder?”
“Ik ben een koning.”
“Waarover?”
“Over mijn lichaam: want alles wat mijn geest ooit van God begeerde, dat wist mijn lichaam beter en sneller te verwerken en te doorlijden dan mijn geest het ontving.”
“Een koning moet een koninkrijk hebben, waar is dan uw rijk?”
“In mijn ziel. Als ik de poorten van mijn vijf zinnen gesloten heb en God met alle ernst begeer, dan vind ik God.”
“Hoe bent u zo volmaakt geworden?”
“Mijn stille zitten en mijn vereniging met God – dat heeft mij in het hemelse getrokken. Want ik kon nimmer rusten in iets dat minder was dan God.
Nu ik Hem gevonden heb is er rust en oneindige vreugde.”
Bron: uit “Eeuwigheid en stilte,” 9. Meester Eckhart



