Als de mens een stuk van het bergpad heeft afgelegd en het ravijn wordt zichtbaar, dan is die mens in een situatie gekomen waarin hij zijn eigen zijn, zijn eigen krachten kan gaan schouwen.
Het schouwen van deze kracht brengt een angst met zich mee, omdat deze krachten doorgaans niet herkend en gezien worden door de mens, omdat de mens lang gebonden is aan dat wat hij alleen langs stoffelijke weg kan ervaren.
De mens die langs stoffelijke weg zijn ervaringen opdoet, is een mens die op weg is naar de verbinding van zijn zijn en zijn uitdrukking. Maar lang kan hij alleen in de uitdrukking werken, en zal hij zijn zijn als een gevoelsmatige druk ervaren, als een hunkering, als een heimwee. Daarom zijn mensen die op zoek zijn naar een evenwicht gevoelig voor wat hun getoond wordt.
De ware leraar is de leraar die is wat hij zegt, doch de mens zoekt het beeld dat hij heel diffuus in zijn bewustzijn voelt, en dat beeld dat hij voelt kan hij nog niet in zijn werkelijke leven waarmaken. Doch de hunkering is groot, dus de mens richt zich naar de leraar die hem dat beeld toont.
Daarom kan de mens niet zuiver zien, of de leraar een ware leraar is.
In deze tijd is de hunkering erg groot, want de mens die het bergpad betreedt, komt in een deel van het pad waarop alleen nog stenen zijn, en het ravijn al in de verte zichtbaar wordt.
Dit is de atmosfeer waar de mensheid op dit moment naar toe gebracht wordt.
Dit is de cyclus die nu de mensheid te wachten staat.
Daarom:
de ware leraar is de leraar die het pad langs het ravijn gelopen heeft, en de gevaren die erin aanwezig zijn gezien heeft. Die de gevaren onderkend heeft en die ook de gevaren gezien heeft van het gevoel van niet-meer-gebonden-te-zijn.
Het gevoel-van-niet-meer-gebonden-te-zijn-aan-de-aardse-stof, aan de stoffelijke materie, geeft de mens dan een sprong voorwaarts. Doch de mens moet op dit stuk van het pad nog zien dat zijn vorm de uitdrukking is. Dat zijn vorm de staf is.
Bron: Mária Hillen



