De woorden ‘koud’, ‘heet’ en ‘lauw’ komen voor in de gnostieke en evangelische literatuur en willen ons iets zeggen. Het ‘lauwe’ komt daar niet zonder kleerscheuren vanaf. Het lijkt er op dat het lauwe, het middelmatige, het ‘ja noch nee’ in gnostische zin niet bijzonder gewaardeerd wordt.
In het algemeen wordt het als een vorm van wijsheid beschouwd om toch vooral ‘middelmatig’ te blijven. ‘Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’ is een gevierde Nederlandse uitdrukking. Het wordt maatschappelijk gewaardeerd indien je niet je nek uitsteekt, geen risico’s loopt en niet teveel betrokken bent bij allerlei uitdagende zaken.
De gnostieke scholingsweg zal deze houding dan ook niet bekritiseren. Het kan inderdaad waar zijn dat enige middelmatigheid ook de innerlijke balans bevordert en wie zou daar iets op tegen kunnen hebben?
In heel wat zaken kan enige middelmatigheid overigens een groot goed zijn. Middelmatigheid in eten, in het jezelf belasten met werkzaamheden, in het maken van plezier enzovoorts. Kortom: terughoudendheid, het ‘verkeren in het midden’, is een gewaardeerde karaktereigenschap die altijd tot sociale acceptatie zal leiden.
Lezen wij echter de gnostieke geschriften, van Bijbel tot apocrief, dan kan het ons vreemd overkomen dat juist het ‘in het midden zijn’ niet gewaardeerd wordt. In de Openbaringen lezen we het al: Ik ken jouw werken, dat je koud bent noch heet. Wás je maar koud of heet!’ Het is dus net alsof wij een keuze moeten maken in extreme zin. Een klein beetje koud en/of een klein beetje warm noemen we ‘lauw’, maar de Openbaring zegt dan: Zo dan, omdat je lauw bent en noch heet, noch koud, zal ik je uit mijn mond spuwen. (Openb. 3:4 e.v.). Ook de gnostische Evangeliën van Nag Hammadi zeggen iets over dit ‘in het midden zijn’. In het Evangelie van Filippus lezen wij in het 52e vers:
Men is
óf in deze wereld
óf in de opstanding
óf op plaatsen die in het midden zijn.
dat ik dáár niet aangetroffen worde.
Het ziet er voor de zich ‘in het midden bevindende mens’ dus niet bepaald rooskleurig uit!
‘Het midden’ is immers in gnostieke zin de plaats waar de mens ‘aangetroffen’ wordt nadat hij:
A. zich reeds op het gnostieke Pad had begeven maar toch de verleiding van het profane niet kon weerstaan, óf:
B. zich uit louter onverschilligheid wentelt in het dialectisch spanningsveld en zich vergenoegt met het streven en het strijden van het ik.
Hij zegt geen ja en geen nee. Want als je je in het ‘midden’ bevindt, weiger je categorisch jezelf te begeven in de diepgang van het geestelijk beschouwen. Je zegt : ‘ik ben wel geïnteresseerd. Maar meer ook niet. Ik lees met belangstelling zo’n boek of ga naar een lezing. Maar meer ook niet. Ik denk erover na. Maar meer ook niet’. Het persoonlijke leven van een middenbewoner wordt niet beïnvloed door de stralingskracht der Gnosis. Het zielenleven van die mens slaapt ongestoord haar zielenslaap.
Omdat je lauw bent, zal ik je uit mijn mond spuwen! De lauwe mens kabbelt voort in de aardesfeer en wordt niet opgenomen in het Christuslichaam. Hij wordt uitgespuwd, want is volstrekt doof en blind. Zelfs van dat proces draagt hij geen kennis. Mocht het persoonlijke leven van de lauwe mens door harde confrontaties haar lauwheid verliezen, dan verandert er wellicht iets. Of dat nou koud of heet is doet er verder niet toe.
De ogen gaan open, het hart gaat sneller kloppen, angst en hoop wisselen elkaar razendsnel af. Het leven is gaan vibreren, een innerlijke roep wordt hoorbaar…
Hij wordt koud en stort zich op spirituele activiteiten die zijn ‘ik’ bevredigen. Hij wordt heet en geeft zich aan spirituele krachtvelden die zijn ‘ik’ door elkaar schudden. Hij begint zichzelf te kennen en te weten dat zijn ‘middenpositie’ hem geestelijk niet veel verder brengt.
De Jordaan moet worden overgestoken! De mens zal zijn oever moeten verlaten. Hij zal moeten roeien, met gevaar voor eigen leven. En ook kan een zware stormwind opsteken en de golven het schip trachten te vernietigen, maar wie de geest des Harten ontwaakt heeft in zichzelf, zal ‘geen vrees kennen en wind en zee tot gehoorzaamheid brengen’ (Marc. 4: 37).
Gnosis toepassen betekent: positie kiezen.
Gnosis is geen bijzaak, geen liefhebberij voor de overblijvende uurtjes.
Gnosis is werk voor hart, ziel, kracht en verstand.
Het volledige ‘staan en gaan’ in de Gnosis, de Gnostieke straling inhaleren, betekent wel dat je middelmatigheid betracht in het profane gedrag.
Het geestelijke leven vraagt een rechte koers; alleen dan zal de overkant zonder dralen gehaald worden.
‘…want zonder Mij kunt gij niets doen.’ (Joh. 15:5).
Een nogal boute uitspraak als je dat zo hoort. Zonder ‘Hem’ kun je dus niets doen, kun je geen zinvolle vooruitgang boeken. Wie het Pad bewandelt, zal deze uitspraak echter ten volle beamen. Immers, de gnostieke pelgrim wéét dat hij niets kan doen zonder Hem, zonder de innerlijke Christus, die zowel innerlijk als uiterlijk is, binnen in je diepste zelf, en buiten tot aan de verste grenzen.
Als je zonder Hem niets kunt doen, wat kun je dan met Hem?
Je zou kunnen zeggen : alles. De tekst waarin de Christus deze uitspraak doet, is getiteld: ‘De ware wijnstok’.
Hij zegt daarin dat Hij de ware wijnstok is en de Vader is de landman.
‘Elke rank aan Mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt snoeit hij, opdat zij meer vrucht drage’.
‘Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft’.
Wie deze woorden goed beschouwt en met het gnostieke hart tracht te luisteren, verstaat en begrijpt deze wonderschone woorden, herkent hun heldere waarheid.
Je kunt geen vrucht dragen uit jezelf.
Jouw ‘ik’ kan geen vrucht dragen van het goddelijke. Maar jouw ‘ik’ probeert het wel. Zij vecht en vlucht, streeft en strijdt, allemaal uit naam van het goddelijke. En het resultaat is dat je ‘weggenomen’ wordt, dat is het sterven naar de ziel.
Maar als je aan de wijnstok blijft, dán draag je vrucht en dan wordt je gesnoeid!
Je wordt bekleed met het Gouden Bruiloftskleed, gereed om het chemisch Huwelijk aan te gaan. Je gaat over tot het ‘Consolamentum’, tot je oorspronkelijke goddelijke natuur.
De Leerling op het Pad die dit alles begrijpt, zal daarom goed besef dragen van het gegeven dat hij ‘zonder Hem niets doen kan’, dat Hij het voortdurende Licht is dat zijn Pad zichtbaar houdt, die hem leidt naar de staat van de Nieuwe mens.
‘Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden’.
Bron: Fama Fraternitatis



