NHC II.3 - strofe 86
[110] Wie de kennis van de waarheid bezit
is een vrij mens.
De vrije mens zondigt niet,
want ‘wie zondigt is een slaaf van de zonde’.
De waarheid is de moeder en
de gnosis is de vader.
Zij die zichzelf niet toestaan om te zondigen
worden door de wereld ‘vrije mensen’ genoemd.
Bij hen die zichzelf niet toestaan om te zondigen
verheft de gnosis van de waarheid hun hart.
Dat wil zeggen: ze hebben zich vrijgemaakt
en verheffen zich boven de gehele plaats.
Maar de liefde bouwt op.
Want wie een vrij mens geworden is
door de gnosis,
is door de liefde
een dienaar voor hen die nog niet
door de vrijheid van de gnosis
zijn verhoogd.
Gnosis stelt hen dan in staat
om vrije mensen te worden.
De liefde [eigent zich] niets toe,
want waarom [zou ze zich iets toeëigenen?
Alles is immers] van haar!
Ze zegt niet: [Dit is van mij]
of: dat is van mij,
[maar] ze zegt: het is van jou.
[111] Geestelijke liefde
is als wijn en geur.
Allen die ervan genieten
worden ermee gezalfd.
En ook genieten zij die in de buurt zijn
zolang de gezalfden in hun omgeving vertoeven.
Want als de gezalfden zich van hen verwijderen,
zullen de niet-gezalfden,
die slechts in de buurt waren,
in hun kwade geur blijven.
De Samaritaan gaf aan de gewonde
niets anders dan olie,
die niets anders is dan zalf.
Deze genas de wonden,
want: ‘de liefde bedekt vele zonden’.
Bron: Citaat Nag Hammadi geschriften 1, strofe 86/ J. Slavenburg - W.G. Glaudemans



