Oorsprong van de Wereld

In het Nag Hammadi - document II.5 vinden we een interessante beschouwing over de schepping; de tekst is getiteld: “Oorsprong van de Wereld”.
Hier volgt een gedeeltelijke weergave, die de moeite waard is om te lezen.
Omdat allen - de goden van de wereld en de mensen - beweren dat er niets voor de chaos bestond, zal ik daarentegen aantonen dat zij allen in dwaling verkeren omdat ze de oorsprong van de chaos en haar wortels niet kennen.

Iedereen is het er over eens dat de chaos een soort van duisternis is. Maar in feite is het iets dat ontstaan is uit de schaduw en men heeft dit ‘duisternis’ genoemd. De schaduw komt echter voort uit een werkelijkheid die van aanvang af bestond. Het is dus duidelijk dat de eerste werkelijkheid er al was, voordat de chaos ontstond en dat deze laatste volgde op de eerste werkelijkheid. Laat ons daarom tot de waarheid van de feiten komen en in het bijzonder tot die van de eerste werkelijkheid, waaruit de schaduw ontstond. Op deze wijze zal de waarheid duidelijk aangetoond worden.
Toen de natuur der onsterfelijken zich uit het grenzeloze tot volheid had gevormd, vloeide een verschijning uit Pistis voort, die Sophia genoemd wordt (hiermee wordt bedoeld dat Sophia het vrouwelijke deel is van Pistis; zie hoofdstuk 3). Ze beproefde haar wil om een werkelijkheid te creëren, die op het eerst bestaande Licht zou lijken. En onmiddellijk verscheen haar wens als een hemels beeld van ondenkbare grootte, dat zich bevindt tussen de onsterfelijken en degenen die na hen naar het hemelse voorbeeld ontstonden. Het is een gordijn dat de mensheid scheidt van de hemelse sferen.
De eon van de waarheid heeft echter geen schaduw in zijn innerlijk, omdat het mateloze Licht hem geheel vult. Zijn buitenkant echter is schaduw, welke men ‘duisternis’ heeft genoemd. Van daaruit verscheen een macht als heerser over die duisternis. De daarna ontstane machten noemden de schaduw ‘de onbegrensde chaos’. Daaruit ontsproten allerlei soorten van godheden (…) tezamen met de ganse plaats. Zo is de schaduw dan ook van een latere orde dan de eerste werkelijkheid. Het was in de afgrond dat de schaduw verscheen, in feite afkomstig van Pistis, waar we zoëven over spraken.
Daarop bemerkte de schaduw dat er een sterkere macht was dan zij. Zij werd jaloers en daar zij van zichzelf zwanger geworden was (androgyn wezen!), baarde ze tegelijkertijd afgunst. En van die dag af was er een beginsel van afgunst in alle eonen en hun werelden. Iedere afgunst echter is als een misgeboorte, omdat er geen pneuma (= geest) in aanwezig is. Deze kwam nu, evenals de schaduw, in een grote waterige substantie terecht. Daarop werd de uit de schaduw ontstane haat in een deel van de chaos geworpen. Vanaf die dag werd de waterige substantie manifest. En dat wat erin gezonken was vloeide weg, omdat het in de chaos zichtbaar was. Zoals men bij het baren van een kind al het overtollige weggooit, zo werd de materie, die uit de schaduw was ontstaan, in een deel van de chaos geworpen en zij kwam niet meer uit de chaos te voorschijn. De materie was in de chaos, omdat ze er een deel van geworden was.
Toen deze twee dingen waren gebeurd, kwam Pistis en verscheen over de materie van de chaos die als een misgeboorte was voortgebracht, omdat er geen pneuma in aanwezig was. Tengevolge daarvan is dit alles een grenzeloze duisternis en een bodemloos water. Toen Pistis nu zag wat de gevolgen van haar misstap waren, werd ze verontrust. Die verontrusting deed ‘vreesachtigheid’ ontstaan, die in de chaos vloeide. Zij wendde zich nu daarheen om in het gezicht te blazen van de vreesachtigheid in de afgrond, die beneden alle hemelen is.
Toen Pistis-Sophia nu wenste dat wat zonder pneuma was, een beeldende vorm aan zou nemen en over de materie en al diens machten zou gaan heersen, verscheen er uit het water allereerst een archont (zie hoofdstuk 3), die de gestalte van een leeuw had en androgyn was en een grote macht in zich had, maar niet wist hoe hij ontstaan was. Toen Pistis-Sophia zag hoe hij zich in de diepte van het water bewoog, zei ze tot hem: ‘Jongeling, vestig je over deze oorden’ - wat de betekenis is van ‘Jaldabaoth’.
Vanaf die dag openbaarde zich het grondbeginsel van het woord, dat tot de goden en de engelen en de mensen is gekomen (denk aan de evangelische tekst: in den beginne was het Woord,…). En dat wat door het woord ontstond, voltooide de goden en de engelen en de mensen.
De archont Jaldabaoth nu was onkundig van de macht van Pistis. Hij had haar gezicht niet gezien, doch alleen de weerspiegeling daarvan, die in het water tot hem had gesproken. En naar deze stem noemde hij zichzelf ‘Jaldabaoth’. De volkomenen echter noemden hem ‘Ariël’, omdat hij de gestalte van een leeuw had. Nadat hij op deze wijze ontstaan was en de macht over de materie verkregen had, keerde Pistis-Sophia naar het Licht terug.
Toen de archont zijn grootheid zag, zag hij alleen zichzelf; hij zag geen ander, behalve water en duisternis, en hij dacht dat hij alleen was. Zijn gedachte voltooide zich door zijn woord en verscheen als een geest, die zich in het water heen en weer bewoog. Toen deze geest was verschenen, scheidde de archont de waterige substantie in één deel, en zonderde de droge substantie af in een ander deel. En uit de materie schiep hij voor zichzelf een woonplaats, die hij ‘hemel’ noemde. En uit de materie schiep hij voor zichzelf een voetenbankje, dat hij ‘aarde’ noemde.
Daarna had de archont - overeenkomstig met zijn natuur - een gedachte en bracht, door middel van het woord, een androgyne gestalte voort. Die opende zijn mond en kirde naar hem. Toen zijn ogen waren geopend, keek hij naar zijn vader en zei tegen hem: ‘Y’; en zijn vader noemde hem ‘Yao’. Toen schiep hij de tweede zoon. Hij kirde naar hem. En hij opende zijn ogen en zei tegen zijn vader: ‘E’ en zijn vader noemde hem ‘Eloai’. Daarna schiep hij de derde zoon (…) ‘Astaphaios’. Dit zijn de drie zonen van de vader.
Zeven verschenen er in totaal in de chaos als androgyne wezens.
(…)
Zij kwamen voort als androgyne wezens in overeenstemming met de onsterfelijke voorbeelden die voor hen bestonden en overeenkomstig de wil van Pistis, zodat het beeld van wat vanaf het begin afhad bestaan, tot het einde toe zou regeren.
(…)
Daar nu Jaldabaoth grote macht verkregen had, schiep hij door middel van het woord voor elk van zijn even zonen prachtige hemelen als woonoord en in iedere hemel grote heerlijkheden, zevenvoudig voortreffelijk, en tronen en woonoorden en tempels en triomfwagens en geestelijke maagden. En zoals boven in het onzichtbare rijk met al haar heerlijkheden, had ieder in zijn hemel goddelijke legermachten, heren, engelen en aartsengelen, ontelbare talloze, om hen te dienen. Berichten daarover kan je nauwgezet terugvinden in “De eerste Logos van Norea” (dit boek is onbekend). Zo werd alles voltooid van deze hemel tot aan boven de zesde hemel, die van Sophia.
Toen echter werden de hemel en de aarde in grote beroering gebracht door de ‘schokker’, een kracht die beneden hen allen was. En de zes hemelen schudden heftig. Maar de machten van de chaos wisten wie het was die de hemelen beneden hen had vernietigd. Toen ook Pistis de breuk die uit de verstoring was ontstaan kende, zond zij haar adem, bond die vast en verbande die naar Tartaros. Vanaf deze dag had de hemel zich, samen met haar aarde, gevestigd door de Sophia van Jaldabaoth, die onder hen allen is.
Toen aldus de hemelen en hun machten, met hun gehele inrichting, zich op deze wijze hadden gevestigd, verhoogde de archont zich en ontving hij de lofprijzingen van het gehele leger van engelen; alle goden en engelen prezen hem. En hij verheugde zich in zijn hart en blufte voortdurend en sprak: ‘Ik heb niemand nodig.’ Hij sprak: ‘Ik ben god en er bestaat geen ander buiten mij’.
Maar toen hij dat zij, zondigde hij tegen alle onsterfelijken, die hem toegelaten en beschermd hadden. Toen Pistis nu de goddeloosheid van de grote archont zag, werd zij toornig. Onzichtbaar sprak ze tot hem: ‘Je dwaalt, Samaël’ - wat betekent: blinde god; ‘Een onsterfelijk Licht-mens, die zich in jullie boetseerwerk zal openbaren, is jou voorafgegaan. Hij zal je vertrappen op de manier waarop pottenbakkersklei gestampt wordt en je zal met wie bij jou horen, afdalen naar je moeder, de afgrond. Want met de voleinding van jullie werken zal het ganse tekort, dat door de waarheid in het daglicht is getreden, worden opgelost. Het zal ophouden te zijn en worden tot dat, wat niet geworden is’.
Toen Pistis dit gezegd had, openbaarde ze het beeld van haar grootte in de wateren en keerde toen terug naar het Licht.
De volledige tekst is te vinden in het boek : “De Nag Hamadi Geschriften”, door Jacob Slavenburg & Willem Glaudemans.

Dit bericht is geplaatst in Gnostiek. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>