Marcus, Het Evangelie van (hoofdstuk 1, 2 en 3)

Hier vindt u de eerste 3 hoofdstukken van het evangelie van Marcus, waarbij direct onder de Aramese vertaling, de huidige bijbelse vertaling getoond wordt en de vertaalverschillen duidelijk worden.

De bovenste zin is de rechtstreekse vertaling uit het Aramees. zie: www.peshitta.nl
De onderste zin komt uit de huidige bijbelse vertaling; ‘de Nieuwe Bijbelvertaling’. zie: www.biblija.net

Hoofdstuk 1
1 Het begin van het evangelie van Yeshu’ Mshicha, de Zoon van Alaha.
1 Het begin van het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God. (Andere handschriften lezen: ‘Jezus Christus’.)

2 Zoals is geschreven in de profeet Esha’ya: “Zie, ik zend mijn boodschapper voor uw persoon uit, om uw weg voor te bereiden!
2 Het staat geschreven bij de profeet Jesaja: ‘Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen’.

3 De stem van een roepende in de wildernis: ‘Bereid de weg van de HEER en egaliseer zijn pad’!
3 Luid klinkt een stem in de woestijn: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden!”’

4 Yuchanan was in de wildernis en doopte en verkondigde de doop van berouw tot vergeving van zonden.
4 Dit gebeurde toen Johannes de Doper naar de woestijn ging (Andere handschriften lezen: ‘toen Johannes in de woestijn doopte’.) en de mensen opriep zich te laten dopen en tot inkeer te komen, om zo vergeving van zonden te verkrijgen.

5 En allen uit het gebied van Yihud en alle inwoners van Urishlem gingen naar hem uit en hij doopte hen in de Yurdnan, terwijl ze hun zonden beleden.
5 Alle inwoners van Judea en Jeruzalem stroomden toe en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden.

6 Deze Yuchanan was gekleed met kleding van kamelenhaar en hij had een lederen riem om zijn middel gebonden. Zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing.
6 Johannes droeg een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel; hij leefde van sprinkhanen en wilde honing.

7 En hij verkondigde en zei: “Zie, na mij komt iemand die machtiger is dan ik. Ik ben het niet waard te buigen om de riemen van zijn sandalen los te maken!
7 Hij verkondigde: ‘Na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om me voor hem te bukken en de riemen van zijn sandalen los te maken.

8 Ik doop jullie in water, maar hij zal jullie dopen in heilige geest.”
8 Ik heb jullie gedoopt met water, maar hij zal jullie dopen met de heilige Geest.’

9 En het was in die dagen dat Yeshu’ uit Nasrat van Glila kwam en door Yuchanan in de Yurdnan werd gedoopt.
9 In die tijd kwam Jezus vanuit Nazaret, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen.

10 Onmiddellijk, toen hij uit het water opstond, zag hij hemel splitsen en de geest als een duif op hem afdalen.
10 Op het moment dat hij uit het water omhoogkwam, zag hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen,

11 Er was een stem van de hemel: “Jij bent mijn geliefde zoon in wie ik vreugde vind.”
11 en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’

12 En de geest voerde hem onmiddellijk naar de wildernis.
12 Meteen daarna dreef de Geest hem de woestijn in.

13 En hij was daar veertig dagen in de wildernis geweest toen hij door Satana werd getest. En hij was tussen de wilde dieren en engelen hadden hem bediend.
13 Veertig dagen bleef hij in de woestijn, waar hij door Satan op de proef werd gesteld. Hij leefde er te midden van de wilde dieren, en engelen zorgden voor hem.

14 Nadat Yuchanan was uitgeleverd ging Yeshu’ naar Glila om de boodschap van het koninkrijk te verkondigen.
14 Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar Galilea, waar hij Gods goede nieuws verkondigde.

15 En hij zei: “De tijd is voltooid. Het koninkrijk van Alaha is gekomen. Heb berouw en geloof de boodschap!”
15 Dit was wat hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’

16 Toen hij langs het meer van Glila liep, zag hij Shem’un en diens broer Andreas netten in het meer werpen, want ze waren vissers.
16 Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag hij Simon en Andreas, de broer van Simon, die hun netten uitwierpen in het meer; het waren vissers.

17 En Yeshu’ zei tegen hen: “Kom, volg me en ik zal jullie vissers van mensen maken!”
17 Jezus zei tegen hen: ‘Kom, volg mij! Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’

18 Onmiddellijk verlieten ze hun netten en gingen hem volgen.
18 Meteen lieten ze hun netten achter en volgden hem.

19 Toen hij even doorliep, zag hij Ya’qub de zoon van Zabday en Yuchanan diens broer. Ook zij waren in een boot en ze herstelden hun netten.
19 Iets verderop zag hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, die in hun boot bezig waren met het herstellen van de netten,

20 Toen hij hen had geroepen lieten ze onmiddellijk hun vader Zabday met de huurkracht in de boot achter en ze gingen hem volgen.
20 en direct riep hij hen. Ze lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners achter in de boot en volgden hem.

21 Toen ze Kfarnachum waren binnengegaan, ging Yeshu’ onmiddellijk op de shabta leren in hun synagoge.
21 Ze gingen op weg naar Kafarnaüm, en op de eerstvolgende sabbat ging Jezus naar de synagoge en onderwees er de mensen.

22 En men was verbaasd om zijn leer, want hij leerde hun met gezag en niet zoals hun schriftgeleerden.
22 Ze waren diep onder de indruk van zijn onderricht, want hij sprak hen toe als iemand met gezag, niet zoals de schriftgeleerden.

23 Er was in hun synagoge een man in wie een onreine geest was en hij riep luid,
23 Er was in de synagoge ook een man die bezeten was door een onreine geest, en hij schreeuwde:

24 en zei: “Wat hebben we met elkaar te maken, Yeshu’ Nasraya? Bent u gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wie u bent, u bent de heilige van Alaha!”
24 ‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazaret? Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie je bent, de heilige van God.’

25 En Yeshu’ berispte hem en zei: “Houd uw mond en ga van hem weg”.
25 Jezus sprak hem streng toe en zei: ‘Zwijg en ga uit hem weg!’

26 En de onreine geest wierp hem neer, riep met een luide stem en ging van hem uit.
26 De onreine geest deed de man stuiptrekken en verliet hem met een luide schreeuw.

27 En allen waren verbijsterd en vroegen elkaar en zeiden: “Wat is dit, en wat is deze nieuwe leer? Want hij geeft zelfs met gezag opdracht aan onreine geesten, en zij gehoorzamen hem.”
27 Iedereen was zo verbijsterd dat ze tegen elkaar zeiden: ‘Wat is dit allemaal? Een nieuwe leer met groot gezag! Zelfs als hij onreine geesten een bevel geeft, wordt hij gehoorzaamd.’

28 Onmiddellijk ging zijn reputatie uit in heel het gebied van Glila.
28 Het nieuws over Jezus verspreidde zich algauw overal in Galilea.

29 En ze verlieten de synagoge en kwamen in het huis van Shem’un en Andreas, samen met Ya’qub en Yuchanan.
29 Toen ze uit de synagoge kwamen, gingen ze rechtstreeks naar het huis van Simon en Andreas, samen met Jakobus en Johannes.

30 De schoonmoeder van Shem’un lag ziek met koorts en ze vertelden hem over haar. 30 Simons schoonmoeder lag met koorts in bed, en ze spraken met Jezus over haar.

31 En hij ging naar haar toe en nam haar bij de hand en deed haar opstaan. Onmiddellijk had de koorts haar verlaten en ze ging hen bedienen.
31 Hij ging naar haar toe, pakte haar hand vast en hielp haar overeind. Toen verliet de koorts haar, en ze begon voor hen te zorgen.

32 In de avond bij zonsondergang bracht men hem alle ernstig zieken en bezetenen. 32 ’s Avonds laat, toen de zon al was ondergegaan, brachten de mensen alle zieken en bezetenen naar hem toe;

33 En de hele stad had zich bij de deur verzameld.
33 alle inwoners van de stad hadden zich bij de deur van het huis verzameld.

34 En hij genas velen die ernstig ziek waren met verschillende ziekten en hij wierp vele demonen uit. Hij stond de demonen niet toe te spreken omdat ze hem kenden. 34 Hij genas vele zieken van allerlei kwalen en hij dreef veel demonen uit, maar stond ze niet toe om iets te zeggen, want ze wisten wie hij was.

35 Zeer vroeg in de morgen stond hij op en ging naar een plaats in de wildernis om daar te bidden. 35 Vroeg in de ochtend, toen het nog helemaal donker was, stond hij op, ging naar buiten en liep naar een eenzame plek om daar te bidden.

36 En Shem’un en degenen die met hem waren gingen hem zoeken.
36 Maar Simon en de anderen die bij hem waren, gingen hem vlug achterna,

37 Toen ze hem hadden gevonden zeiden ze hem: “Alle mensen zoeken u!”
37 en toen ze hem gevonden hadden zeiden ze tegen hem: ‘Iedereen is naar u op zoek!’

38 Hij zei tegen hen: “Ga naar de nabijgelegen dorpen en steden want daar zal ik ook verkondigen, want daarom ben ik gekomen.”
38 Toen zei hij: ‘Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen hier in de omtrek, zodat ik ook daar het goede nieuws kan brengen. Daarvoor ben ik immers op weg gegaan.’

39 En hij verkondigde in al hun synagogen en in heel Glila en hij wierp schimmen uit. 39 In heel Galilea bracht hij het nieuws in de synagogen en dreef hij demonen uit.

40 Er kwam een melaatse naar hem toe die op zijn knieën viel en hem smeekte en zei: “Als u het wilt kunt u mij reinigen!”
40 Er kwam iemand naar hem toe die aan huidvraat leed; hij smeekte hem om hulp en zei, terwijl hij op zijn knieën viel: ‘Als u wilt, kunt u mij rein maken.’

41 En Yeshu’ had medelijden met hem. Toen strekte hij zijn hand uit, raakte hem aan en zei hij: “Ik wil het, wees rein!”
41 Jezus kreeg medelijden, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’

42 In dat zelfde uur verdween zijn lepra en werd hij gereinigd.
42 En meteen verdween zijn huidvraat en hij was rein.

43 En hij maande hem en stuurde hem heen,
43 Jezus stuurde hem weg met de ernstige waarschuwing:

44 en zei tegen hem: “Zie, waarom vertelt u het aan de mensen? Maar ga en toon uzelf aan de priesters. Doe de schenking voor uw reiniging zoals Mushe heeft geboden, tot getuigenis voor hen.”
44 ‘Denk erom dat u tegen niemand iets zegt, maar ga u aan de priester laten zien en breng het reinigingsoffer dat Mozes heeft voorgeschreven, als getuigenis voor de mensen.’

45 Nadat hij echter was weggegaan ging hij het nog meer verkondigen en het woord verspreiden zodat Yeshu’ niet openlijk de stad kon binnengaan maar buiten in een gebied in de wildernis verbleef. Men kwam echter vanuit alle plaatsen naar hem toe.
45 Maar toen de man vertrokken was, ging hij overal breeduit rondvertellen wat er gebeurd was, met als gevolg dat Jezus niet langer openlijk in een stad kon verschijnen, maar op eenzame plaatsen buiten de steden moest blijven. Toch bleven de mensen van alle kanten naar hem toe komen.

Hoofdstuk 2

1 Opnieuw ging Yeshu’ enkele dagen naar Kfarnachum. Toen men had gehoord dat hij thuis was, 1 Toen hij enkele dagen later terugkwam in Kafarnaüm, werd bekend dat hij weer thuis was.

2 verzamelden zich velen zodat het huis hen niet kon bevatten, zelfs niet voor de deur. Hij sprak het woord met hen.
2 Er stroomden zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en hij verkondigde hun Gods boodschap.

3 Toen kwam men bij hem en bracht hem een verlamde, gedragen door vier [mensen]. 3 Er werd ook een verlamde bij hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd.

4 Ze konden hem vanwege de menigte niet naderen. [Dus] gingen ze het dak op en tilden de dakbedekking op, boven de ruimte waar Yeshu’ was en lieten ze het draagbed afdalen waarop de verlamde lag.
4 Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt, lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken.

5 Toen Yeshu’ hun geloof zag, zei hij tegen die verlamde: “Mijn zoon, je zonden zijn je vergeven!” 5 Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’

6 Nu zaten daar enkele schriftgeleerden en separatisten en ze dachten in hun hart:
6 Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij zichzelf:

7 “Wie is dit die lastert? Wie kan zonden vergeven behalve Alaha alleen?”
7 Hoe durft hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit: alleen God kan immers zonden vergeven!

8 Maar Yeshu’ wist in zijn geest dat zij deze dingen bij zichzelf zaten te denken en hij zei tegen hen: “Waarom denkt u deze dingen in uw hart?
8 Jezus had meteen door wat ze dachten en dus zei hij: ‘Waarom denkt u zoiets?

9 Wat is eenvoudiger te zeggen tegen de verlamde: ‘je zonden zijn vergeven’, of om te zeggen ‘sta op, neem je draagbed op en loop’?
9 Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op, pak uw bed en loop”?

10 Dat u mag weten dat de Barnasha geautoriseerd is op aarde zonden te vergeven.” hij zei tegen de verlamde:
10 Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei hij tegen de verlamde:

11 “Ik zeg je, sta op, neem je draagbed, loop en ga naar huis!”
11 ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’

12 En hij stond onmiddellijk op, nam zijn draagbed en vertrok voor hen allen, zodat allen verbaasd waren en Alaha prezen en zeiden: “Zoiets hebben we nog nooit gezien!” 12 Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg; allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien,’ zeiden ze.

13 En hij ging weer naar het meer en alle menigten kwamen naar hem toe en hij leerde hun. 13 Jezus vertrok en ging weer naar het meer. Een grote mensenmenigte kwam naar hem toe, en hij onderwees hen.

14 Terwijl hij onderweg was, zag hij Levi, de zoon van Halfay, tussen de belastinginners zitten en hij zei tegen hem: “Kom, volg mij!” En hij stond op en volgde hem. 14 Toen hij verderging zag hij Levi, de zoon van Alfeüs, bij het tolhuis zitten, en hij zei tegen hem: ‘Volg mij.’ Levi stond op en volgde hem.

15 Toen hij in diens huis aanlag, lagen vele belastinginners en zondaars met Yeshu’ en zijn leerlingen aan, want er waren velen en zij volgden hem.
15 Op een keer was hij bij Levi thuis uitgenodigd voor een maaltijd, samen met zijn leerlingen en een groot aantal tollenaars en zondaars, want velen van hen volgden hem.

16 Toen de schriftgeleerden en de separatisten hem zagen eten met de belastinginners en zondaars zeiden ze tegen zijn leerlingen: “Hoe kan hij met belastinginners en zondaars eten en drinken?”
16 Toen de farizese schriftgeleerden zagen dat hij samen met zondaars en tollenaars at, zeiden ze tegen zijn leerlingen: ‘Eet hij met tollenaars en zondaars?’

17 Toen Yeshu’ dit had gehoord zei hij tegen hen: “Niet wie gezond zijn hebben een dokter nodig maar wie ernstig ziek zijn! Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen maar zondaars.”
17 Jezus hoorde dit en zei tegen hen: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel; ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’

18 Nu deden de leerlingen van Yuchanan en de separatisten aan vasten.
Ze kwamen en zeiden hem: “Waarom vasten de leerlingen van Yuchanan en van de separatisten, terwijl uw leerlingen niet vasten?”
18 De leerlingen van Johannes en de farizeeën hadden de gewoonte regelmatig te vasten. Er kwamen mensen naar Jezus toe, die hem vroegen: ‘Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?’

19 Yeshu’ zei tegen hen: “Kunnen degenen van de receptie vasten zolang de bruidegom met hen is? Nee!
19 Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten zolang de bruidegom bij hen is? Nee, zolang ze de bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten.

20 Er zullen echter dagen komen dat de bruidegom van hen zal worden weggenomen. Dan op die dag, zullen ze vasten.
20 Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten.

21 Niemand zet en naait een nieuw lapje op een oud kledingstuk, zodat het nieuwe lapje niet wegneemt van het oude en de scheur groter wordt.
21 Niemand verstelt een oude mantel met een lap die nog niet gekrompen is, want dan trekt de nieuwe lap de oude stof kapot en wordt de scheur nog groter.

22 Niemand doet jonge wijn in oude lederen zakken, omdat de zakken anders barsten en de lederen zakken verloren gaan en de wijn raakt vergoten. Men doet jonge wijn echter in nieuwe lederen zakken.”
22 Niemand giet jonge wijn in oude leren zakken, want dan scheuren ze open en gaat de wijn verloren, net als de zakken zelf. Jonge wijn hoort in nieuwe zakken.’

23 Toen Yeshu’ op shabta tussen de korenvelden ging, liepen zijn leerlingen en plukten ze aren. 23 Eens liep hij op een sabbat tussen de korenvelden door. Zijn leerlingen gingen de velden in en begonnen aren te plukken.

24 Dus zeiden de separatisten tegen hem: “Ziet u dat ze iets op de shabta doen wat niet is toegestaan?”
24 ‘Kijk eens!’ zeiden de farizeeën tegen hem. ‘Waarom doen ze iets dat op sabbat niet mag?’

25 Yeshu’ zei tegen hen: “Hebt u nooit gelezen wat Dawid heeft gedaan toen hij en degenen die met hem waren in nood waren en honger hadden?
25 Maar hij antwoordde: ‘Hebt u dan nooit gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen gebrek leden en honger hadden?

26 En hoe hij het huis van Alaha was binnengegaan, toen Abyitar de hogepriester was, en het brood van de tafel van de HEER at, wat niet is toegestaan behalve voor de priesters? En hij gaf het zelfs aan degenen die met hem waren.” 26 Hij ging het huis van God binnen – Abjatar was toen hogepriester – en at van de toonbroden, waarvan alleen de priesters mogen eten. En hij gaf ze ook aan zijn mannen te eten.’

27 En hij zei tegen hen: “Want de shabta is gemaakt voor de mens en niet de mens voor de shabta. 27 En hij voegde eraan toe: ‘De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat;

28 Daarom is de Barnasha de Heer, ook van de shabta.”
28 en dus is de Mensenzoon ook heer en meester over de sabbat.’

Hoofdstuk 3

1 Yeshu’ ging de synagoge opnieuw binnen, waar een man met een verdorde hand was. 1 Weer ging hij naar de synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand.

2 Ze bleven op hem letten of hij hem zou genezen op de shabta, zodat ze hem konden beschuldigen. 2 Ze letten op hem om te zien of hij die op sabbat zou genezen, zodat ze hem zouden kunnen aanklagen.

3 En hij zei tegen die man van wie zijn hand was verdord: “Ga in het midden staan.”
3 Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.

4 En hij zei ook tegen hen: “Is het toegestaan om op de shabta goed te doen of om kwaad te doen, om een ziel te redden of te verliezen?” Maar ze zwegen.’
4 Aan de anderen vroeg hij: ‘Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven redden of het vernietigen?’ Maar ze zwegen.

5 En hij keek met woede naar hen omdat hij bedroefd was om de hardheid van hun hart. Toen zei hij tegen die man: “Strek uw hand uit!” Toen hij het uitstrekte, werd zijn hand hersteld.
5 Hij keek hen boos aan, maar ook diepbedroefd vanwege hun hardleersheid, en toen zei hij tegen de man die in het midden stond: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak zijn hand uit en er kwam weer leven in.

6 Daarop vertrokken de separatisten onmiddellijk samen met degenen van het huis van Herodes en beraadslaagden om hem, hoe ze van hem af konden komen.
6 De farizeeën verlieten de synagoge en gingen meteen met de herodianen overleggen hoe ze hem uit de weg zouden kunnen ruimen.

7 En Yeshu’ ging met zijn leerlingen naar het meer, en vele mensen uit Glila en Yihud waren gekomen. 7 Jezus week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote menigte uit Galilea volgde hem.

8 Vanuit Urishlem en Edom en vanuit de overkant van de Yurdnan en uit Sur en Saydon kwamen vele menigten naar hem toe die alles wat hij had gedaan hadden gehoord.
8 Ook uit Judea en Jeruzalem, uit Idumea en het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen veel mensen naar hem toe, omdat ze hadden gehoord wat hij allemaal deed.

9 Daarom vroeg hij zijn leerlingen om hem een boot te brengen, zodat de menigten hem niet zouden verdringen.
9 Hij zei tegen zijn leerlingen dat ze een boot voor hem gereed moesten houden, om te voorkomen dat hij door de menigte onder de voet zou worden gelopen.

10 Want hij had zo velen genezen, dat ze hem overvielen om hem te kunnen aanraken.
10 Allerlei zieken verdrongen zich om hem aan te raken, want hij had al veel mensen genezen.

11 En degenen die de plaag van onreine geesten hadden, vielen neer als ze hem zagen en riepen uit en zeiden: “U bent de Zoon van Alaha!”
11 Telkens als de onreine geesten hem zagen, vielen ze voor hem neer en schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’

12 En hij berispte hen streng om hem niet te openbaren.
12 Hij sprak hen bestraffend toe, en verbood hun bekend te maken wie hij was.

13 Hij ging op naar een berg en riep degenen die hij wilde en ze kwamen naar hem toe. 13 Hij ging de berg op en riep al degenen bij zich op wie hij zijn keuze had laten vallen, en ze kwamen naar hem toe.

14 En hij koos er twaalf om met hem te zijn en om hen voor de verkondiging te sturen, 14 Hij stelde twaalf van hen aan als apostel; (Hij stelde twaalf van hen aan als apostel – Andere handschriften lezen: ‘Hij stelde twaalf van hen aan’.) ze moesten hem vergezellen, en hij wilde hen ook uitzenden om het goede nieuws bekend te maken.
15 en om de autoriteit te hebben om de zieken te genezen en demonen uit te werpen.
15 Ze kregen de macht om demonen uit te drijven.

16 En hij gaf Shem’un de naam Kiefa.
16 De twaalf die hij aanstelde, waren achtereenvolgens Simon, die hij de naam Petrus gaf,

17 Ya’qub, zoon van Zabday en Yuchanan de broer van Ya’qub, aan hen gaf hij de naam Bnai Regesh, wat ‘zonen van de donder’ betekent.
17 Jakobus, de zoon van Zebedeüs, Johannes, de broer van Jakobus (aan deze twee gaf hij de naam Boanerges, wat ‘zonen van de donder’ betekent),

18 Andreas en Filippos, Bartolmay, Mattay, Toema en Ya’qub de zoon van Halfay, Taday, Shem’un de Kanaäniet,
18 Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon Kananeüs

19 Yihuda Scharyuta, die hem zou verraden. En ze kwamen bij een huis.
19 en Judas Iskariot, die hem heeft uitgeleverd.

20 De menigten verzamelden zich opnieuw, zodat ze geen brood konden eten.
20 Hij ging terug naar huis, en weer verzamelde zich een menigte, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te gaan eten.

21 Maar zijn verwanten hoorden het en trokken erop uit om hem te grijpen, want ze zeiden dat hij zijn verstand had verloren.
21 Toen zijn verwanten hiervan hoorden, gingen ze op weg om hem, desnoods onder dwang, mee te nemen, want volgens hen had hij zijn verstand verloren.

22 En de schriftgeleerden die uit Urishlem waren afgedaald zeiden: “Beëlzebub is in hem. Met [hulp van] het hoofd van de demonen werpt hij demonen uit!”
22 Ook de schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, zeiden: ‘Hij is bezeten door Beëlzebul,’ en: ‘Dankzij de vorst der demonen kan hij demonen uitdrijven.’

23 Yeshu’ riep hen en vertelde hun in gelijkenissen: “Hoe kan Satana Satana uitwerpen?
23 Toen hij hen bij zich geroepen had, sprak hij tot hen in gelijkenissen: ‘Hoe kan Satan zichzelf uitdrijven?

24 Want als een koninkrijk tegen zichzelf is verdeeld, zal dat koninkrijk niet standhouden. 24 Als een koninkrijk innerlijk verdeeld is, kan dat koninkrijk niet standhouden;

25 En als een huis tegen zichzelf is verdeeld, kan dat huis niet standhouden.
25 als een gemeenschap innerlijk verdeeld is, zal die gemeenschap niet kunnen standhouden.

26 En als Satana tegen zichzelf opstaat en verdeeld is, kan hij niet standhouden en is [het] zijn einde.
26 En als Satan tegen zichzelf in opstand is gekomen en verdeeld is, kan ook hij niet standhouden, maar gaat hij zijn einde tegemoet.

27 Niemand kan het huis van een sterke man binnen gaan en zijn bezittingen grijpen, tenzij hij eerst de sterke man boeit en dan zal hij diens huis plunderen.
27 Bovendien kan niemand het huis van een sterkere binnengaan om zijn inboedel te roven, als hij die sterkere niet eerst vastgebonden heeft; pas dan kan hij zijn huis leeghalen.

28 Ik zeg u met zekerheid, dat alle zonden en laster die de mensen zullen lasteren, hun vergeven zullen worden.
28 Ik verzeker u: alle wandaden en godslasteringen, hoe erg ook, kunnen de mensen worden vergeven,

29 Maar wie tegen de heilige geest lastert, krijgt nooit vergeving maar is tot het eeuwige oordeel veroordeeld.
29 maar wie lastertaal spreekt tegen de heilige Geest, krijgt in alle eeuwigheid geen vergeving, want zo iemand is schuldig aan een onuitwisbaar vergrijp.’

30 Dit was omdat ze hadden gezegd, dat hij een onreine geest had.
30 Dit omdat ze gezegd hadden: ‘Hij is bezeten door een onreine geest.’

31 Zijn moeder en zijn broers waren aangekomen en stonden buiten en stuurden [iemand] om hem te roepen.
31 Intussen waren zijn moeder en zijn broers aangekomen. Ze stuurden iemand naar binnen om hem te halen. Zelf bleven ze buiten wachten.

32 Nu zat er een menigte om hem heen en men zei tegen hem: “Zie, uw moeder en uw broers staan buiten en zoeken u!”
32 Er zat een groot aantal mensen om hem heen, en die zeiden tegen hem: ‘Uw moeder en uw broers (uw broers – Andere handschriften lezen: ‘uw broers en uw zusters’.) staan buiten en zoeken u.’

33 Dus antwoordde hij: “Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?”
33 Hij antwoordde: ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broers?’

34 En hij keek naar degenen die om hem heen zaten en zei: “Zie, mijn moeder! Zie, mijn broers!
34 Hij keek de mensen aan die in een kring om hem heen zaten en zei: ‘Jullie zijn mijn moeder en mijn broers.

35 Want wie de wil van Alaha doet is mijn broer, mijn zus en mijn moeder!”
35 Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder.’

Dit bericht is geplaatst in Gnostiek. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>