De levensschets van Johannes van het Kruis
Bergen hebben hem zijn leven lang gefascineerd. Hij ziet er het symbool in van God die hij zo hartstochtelijk liefheeft.
Al zoekend naar mijn liefde
Ga ik de bergen op en langs de oevers
Ik wil geen bloemen plukken…….
Graag vergelijkt hij de geestelijk begeleider met een ‘eigengereide’ ambachtsman, die de materie vorm wil geven volgens eigen beperkte inzichten, in plaats van God in de ziel aan het werk te laten:
“Niet iedereen heeft zo’n volmaakte geest dat hij weet hoe de ziel in iedere toestand van het geestelijk leven geleid en gestuurd moet worden……Niet iedereen die hout kan schaven, kan een beeld kappen; niet iedereen die een beeld kan kappen, kan het keurig afwerken en polijsten; niet iedereen die het kan polijsten, kan het beschilderen; en niet iedereen die het kan beschilderen, kan er de laatste hand eraan leggen zodat het volmaakt wordt. Ieder van deze mensen kan niet meer aan het beeld doen dan zijn kundigheid toestaat; als hij daar boven uit wil gaan, staat dit gelijk met het bederven van het beeld…..Die volmaaktheid is iets wat God eraan moet geven….”
Bij de hoger geplaatsten ondervindt hij afkeer en walging ten aanzien van de armen en behoeftigen. Met zulke gevoelens is het onmogelijk de evangelische caritas te beoefenen. Het opgaan in het materiële stompt de gevoeligheid van de geest af. Wat hij later zal schrijven “over de vreugde in de zinnelijke goederen” heeft hij rondom hem zich ten overvloede ervaren:
“Uit de vreugde om aangename geuren ontstaat walging voor de armen wat tegen de leer van Christus is, en haat jegens de dienstbaarheid ,…en vooral geestelijke ongevoeligheid. Uit de vreugde om kostelijke gerechten ontstaat rechtstreeks gulzigheid en dronkenschap, toorn, tweedracht en gebrek aan liefde voor de naasten en de armen. Dit was de houding van die lekkerbek die elke dag schitterende maaltijden hield, ten opzichte van Lazarus” [Lucas 16,19].
In de vier jaar “humanitoria” doet hij een flinke bagage op van Latijn, Grieks, welsprekendheid, wellicht ook filosofie. Het worden jaren van intensieve activiteit en studie, van persoonlijkheidsvorming, van groeiende wijsheid en inzicht, van organisatie ook van zijn tijdsgebruik: bij uitstek een teken van een rijpere persoonlijkheid. Ziekendienst EN studie tegelijk.
De armoede van het begin. Pionierswerk! De vreugde van de innerlijke onthechting die zich spontaan uit in de manier van wonen en zich kleden. Teresa maant ons aan: “Wat betekenen grote gebouwen en uiterlijke genoegens voor ons innerlijke leven! Mijn zusters en mijn paters, uit liefde tot Hem vraag ik jullie altijd erg gematigd te zijn waar het gaat om grote en weelderige huizen. Vergeten we onze eigenlijke stichters niet, die heilige Vaders van wie we afstammen. We weten hoe zij langs deze weg van armoede en nederigheid ertoe kwamen God te genieten”….
Voor grote werkzaamheden (van de nieuwe kapel) is er geen geld. “Het huis was vlug opgemaakt”, schrijft Teresa, “want bij gebrek aan geld kon het niet beter”. De binnenhuisarchitectuur was uiterst sober: de enkele prenten die Juan meegekregen heeft van Teresa en een kruisbeeld. Voor het overige maakt hij van takken kruisen die hij zowat overal aanbrengt. Ook vóór het huisje wordt een groot kruis geplant. Verder kale muren. De blik wordt immers naar God gericht. Nog eens Teresa:
“We bewonen maar één cel. Of die zeer groot is en mooi behangen, wat belang heeft het voor ons? Wij gebruiken er onze tijd niet om naar de muren te kijken. Bedenk ook dat we niet voor altijd dat huis zullen bewonen”….
Wat is het geheim van Juan’s geestelijke begeleiding? Hij heeft zich het principe eigen gemaakt dat Teresa in haar Constituties de priorinnen op het hart drukt: “Maak dat je bemind wordt om gehoorzaamd te worden”.
Hij tracht hen een andere levensoriëntatie bij te brengen, met bijzondere aandacht voor het Woord van God. Dit alles neemt spontaan de plaats in van de “beuzelarijen”, de versnippering van geest en hart, die verhindert in de navolging van Christus te leven. Het gaat om het verleggen van het aandachtscentrum. Juan toont de zusters aan “hoezeer de ongeordende verlangens die in de arme ziel leven, haar in hun macht hebben, hoe onaangenaam zij haar daardoor maken voor zichzelf, hoe ongevoelig zij wordt voor haar evennaasten en hoe traag en lui in de zaken van God”: Het gebrek aan geestelijke vooruitgang is “gewoonlijk hierin gelegen, dat men verlangens en genegenheden koestert die niet zuiver op God gericht zijn.”(Bk,1,10,4).
Heel Juan’s pedagogie is erop gericht om de zusters te brengen “tot de vrijheid van de vereniging met God”.
Hij zoekt voorbeelden die ook de keukenzuster kunnen aanspreken: “Warm water dat niet is afgedekt, verliest gemakkelijk zijn warmte. Geurige specerijen die niet zijn ingepakt, verliezen de fijnheid en kracht van hun geur.” De toepassing is duidelijk: “de ziel die door haar verlangen niet uitsluitend naar God gedreven wordt, verliest de warmte en kracht van de deugd”.
Hij heeft ook een heel eigen methode om een zuster een hart onder de riem te steken. Hij geeft haar een briefje met een geestelijke spreuk of aansporing die geest en hart bezielen. Bv:
“Houd uw tong en uw denken met kracht in bedwang en gewen u eraan, uw genegenheid op God te richten. Dan moet uw geest wel op goddelijke wijze gaan gloeien”.
Maar Juan ervaart hoe velen reeds tijd en energie verloren hebben op de gebedsweg, omdat ze verkeerd begeleid werden. Het werk van de Heilige Geest in de zielen werd vaak niet onderkend en gerespecteerd…… Door kennis te maken met de fouten van zijn onervaren confraterbegeleiders, kan Juan zijn principes vanuit de praktijk opbouwen. In zijn geschriften gaat hij soms heftig tekeer tegen de aanmatiging en zelfoverschatting waarmee sommige begeleiders te werk gaan, vooral wanneer God zich aan de ziel begint mee te delen in de beschouwing. De ziel moet dan ophouden met haar vermogens te werken en in “rustige ingekeerdheid” zwijgen en God laten handelen.
Maar “dan komt er zo’n geestelijke leidsman die niets anders kan dan als een smid hameren en kloppen met de vermogens. Omdat hij niets anders leert dan dat en niets anders kan dan mediteren, zal hij zeggen: “Vooruit, hou op met niets doen; het is luiheid en tijdverlies. Pak iets aan, mediteer, stel innerlijke akten. Gij moet van uw kant doen wat ge kunt. Dat andere riekt naar illuminisme; het is niets anders dan luiheid”….. Dergelijke geestelijke leiders hebben er geen begrip van wat ingekeerdheid en geestelijke eenzaamheid van de ziel zijn. Zij begrijpen ook niets van het eigene ervan……Zij hebben er geen weet van wat eigenlijk geest is. Zij doen God groot onrecht aan en gedragen zich onbeschoft, als zij met hun lompe handen aan het werk van God willen raken”.
Op hemzelf is van toepassing wat hij schrijft over de vereiste kwaliteiten van de geestelijke leidsman:
“Behalve dat hij wijs moet zijn en onderscheidingsvermogen moet hebben, dient hij ook over ervaring te beschikken. Want ofschoon kennis en onderscheidingsvermogen fundamenteel zijn voor de leiding van de geest, zal de geestelijke leider, zonder ervaring van wat zuivere en echte geest is, de ziel toch niet weten te leiden naar de geest wanneer God haar die geest geeft. Hij zal er zelfs niets van begrijpen”….
Dit diepgaand geestelijk apostolaat belet Juan echter niet om beschikbaar te zijn voor de buurtbewoners, en vooral voor de kinderen. Hij is een echte kindervriend. Zij voelen zich zo tot hem aangetrokken. Als hij wat vrije tijd heeft, leert hij hun lezen en schrijven, en natuurlijk geeft hij hen catechese. Hij kan zo wonderlijk over God spreken!
Op 18 november 1572 is Juan getuige hoe Teresa, na de communie, die zij uit zijn handen ontvangt, begenadigd wordt met het geestelijk huwelijk. Is het niet mede aan de begeleiding van Juan te danken dat Teresa mag binnentreden in het meest centraal gelegen verblijf van haar Innerlijke Burcht? Het worden diepgaande ontmoetingen waarbij twee begenadigde mensen hun innerlijk voor elkaar mogen openleggen. Op Triniteitzondag, 17 mei 1573, zijn ze beiden in de spreekkamer en onderhouden elkaar over het mysterie van die dag. Beiden geraken in extatische vervoering. De innerlijke opvlucht is zo groot dat ook het lichaam zich van de grond losmaakt.
Ongetwijfeld leest hij in die jaren de twee eerste boeken van Teresa: haar Autobiografie en haar Weg van Volmaaktheid. Zo verrijkt hij zich met de mystieke ervaring van Teresa en met haar ascese over de naastenliefde. Teresa heeft immers een volledige spiritualiteit uitgewerkt voor het samenleven in gemeenschap, waarnaar op vandaag nog steeds teruggegrepen wordt.
Schrijft hij niet dat: “men beelden moet kiezen die het eigene van de heiligen het best en het levendigste uitbeelden en de wil het meest tot godsvrucht opwekken?”
In deze eenzaamheid (de nacht van Toledo) wrochtte hij een groter werk dan Hij gedurende zijn leven door wonderen en werken tot stand had gebracht. Een groter werk bestaat er immers niet, noch op Aarde, noch in de hemel, dan het menselijk geslacht door genade verzoenen en verenigen met God. En dit gebeurde in een toestand en op een ogenblik dat deze Heer in alles de diepste vernietiging doormaakte….. Moge een oprecht geestelijke ziel hieruit erkennen in hoeverre Christus de deur en de weg is ter vereniging met God….. Deze bestaat dus niet in geestelijke verkwikkingen en genoegens en gevoelens, maar in een levende kruisdood, zowel op zintuiglijk als op geestelijk niveau, dit betekent zowel innerlijk als uiterlijk”.
“Als u te doen krijgt met smakeloosheid en tegenzin in de geestelijke zaken, denk dan aan de gekruisigde Christus en zwijg. Leef in geloof en hoop, al is het ook duister. In deze duisternis beschermt God uw ziel”.
“We moeten verder blijven gaan met de praktijk van de deugden: met versterving en geduld. We moeten verlangen in het lijden in iets op Hem te gelijken. Op die grote God van ons, vernederd en gekruisigd! Als dit leven immers niet dient om Hem na te volgen, dan is het niet goed”.
“Om te geraken tot wat ge nog niet weet,
Moet ge gaan langs de weg
Van het niet-weten.”
Bij Jan van het Kruis zien we hoe de donkere nacht die de mens uitzuivert van alle eigenliefde en tot vereniging met God brengt, steeds geïncarneerd ligt in het volle leven. God maakt gebruik van de levensomstandigheden om iemand uit te nodigen tot deelname aan zijn goddelijke trinitaire leven. Om dit te mogen meemaken moet de mens heel “vrij” geworden zijn, los van zijn eigen kleine, eigengereide “ik”. Sint-Jans donkere nacht is een proces van vrijwording, waarbij God de uitnodigende liefde is en de mens degene die in liefde probeert om te antwoorden door de concrete levensomstandigheden te aanvaarden en te beamen.
“Een klein beetje van deze zuivere liefde is kostbaarder en van meer voordeel voor de Kerk (en voor de innerlijke geest) dan alle andere werken tezamen, al heeft het ook de schijn dat de ziel niets meer doet”.
Juans donkere nacht wordt tot een universele boodschap! De sleutel van het geloof past op alle deuren. Ook het ergste lijden is niet zinloos, wanneer ’s mensen blik zich vasthecht aan de gekruisigde Christus.
“Als de ziel zich ontledigt van alle dingen en zodoende met lege handen staat en zonder eigendom, dan is het onmogelijk dat, waar de ziel het hare heeft gedaan, God zou nalaten het zijne te doen, namelijk Zichzelf meedelen aan de ziel, minstens in het geheim en in stilte. Dat is nog minder mogelijk dan dat de zon niet zou schijnen aan een serene en wolkenloze hemel”.
“Ana, mijn dochter, één enkele genade van de talrijke die God mij daar (in Toledo) schonk, weegt wel op tegen vele jaren gevangenis”.
“Ik vind het jammer, dat men de schuld geeft aan wie er geen heeft; want deze dingen worden niet door mensen gedaan, maar door God. Hij weet wat ons past en Hij ordent dat voor ons welzijn. Denk alleen maar hieraan, dat God alles regelt. Breng liefde waar geen liefde is, en ge zult liefde vinden”.
De ontdaanheid van lichaam en geest doet een veel diepere bron van innerlijke energie opwellen. De volkomen vrije mens zingt zijn Godsliefde uit. Woorden worden verzen. Verzen worden gedichten. Mystiek wordt poëzie.
Het Geestelijk Hooglied:
Of ik de Bron ook ken!
Haar wellen en haar stromen,
Al is Zij nachtlijk.
Verborgen stroomt die Bron
Van eeuwig leven
In ’t levend brood om “leve” aan ons te geven,
Al is Zij nachtlijk.
Die Bron van Leven,
Waarheen al mijn streven
Zich richt, aanschouw ik
In dit brood van leven,
Al is Zij nachtlijk.
Waar houdt Gij U verborgen ,
Beminde, en Ge laat me in zuchten achter?
Gelijk een hert ontvlucht Ge,
Nadat Ge mij gewond hebt;
Ik liep en riep U na en Gij waart spoorloos.
Eindelijk bezingt strofe 22 het nu volledig bevredigende antwoord. Onder “het appellover” van de kruisboom wordt nu de vereniging voltrokken. Blijvend is nu ook de vreugde die strofe na strofe uitgezongen wordt. De ziel wordt binnengeleid in Gods Drieëne Liefde.
In een nacht, aardedonker,
In brand geraakt en radeloos van liefde,
- en hoe had ik geluk –
Ging ik eruit en niemand
Die ’t merkte – want mijn huis
Lag reeds te slapen.
Mijzelf liet ik, vergat ik
O nacht die mij geleid heeft!
O nacht, mij liever dan het morgengloren!
O nacht die hebt verenigd
Beminde met beminde,
Beminde, opgegaan in de Beminde!
Hij leert hen bidden! De gebedshouding zal hij later in een brief aan deze communiteit nog eens kernachtig samenvatten: “Het is aller-noodzakelijkst voor ons dat wij ons tegenover deze grote God het stilzwijgen opleggen: aan ons strevend verlangen EN aan onze tong. De enige taal die Hij verstaat is het zwijgen van de liefde”.
“Soms geeft God mij de woorden in; soms moet ik ze zelf zoeken”.
Baeza: (blz 110)….25.000 inwoners……Er heerste echter een opgezweepte, geëxalteerde religiositeit. De stad leek wel op een klooster: kerken, conventen, kapellen, een menigte priesters, religieuzen, monialen. En vooral waren er de talrijke ‘beate’, een soort begijnen die zogezegd een teruggetrokken leven leidden in eigen woning en daar het kloosterleven imiteerden. Het waren als het ware religieuzen voor eigen rekening. Ze zorgden echter voor de nodige onrust door hun praatjes, hun jaloersheid, hun geestelijke gulzigheid, enz. Men hoeft er maar de zeven traktaatspiegels over de hoofdzonden op na te lezen, waarmee Jan van het Kruis zijn traktaat over de Donkere Nacht begint.
Deze beate hadden onder de priesters en de religieuzen hun devoti, hun bewonderaars, biechtvaders en geestelijke begeleiders. Uit deze kring van beati en devoti kwam de beweging van de alumbrados voort: de geestelijke stroming van het illuminisme. Het waren mensen die meenden rechtstreeks door God verlicht te worden. Zij dweepten met het inwendig gebed en misprezen het mondgebed. Hoewel zij alles verwachtten van een directe ervaring van God zonder verdere bemiddeling, waren ze, paradoxaal genoeg, toch uit op extases, op vervoeringen, op het spectaculaire van het geestelijk leven. Bovendien waren ze aanhangers van een soort millenarisme: het einde van de wereld zou samenvallen met de dood van Filips II. Vanzelfsprekend kregen deze alumbrados het aan de stok met de inquisitie.
Hij weet het positieve in deze stroming van spiritualiteit te waarderen en het onjuiste erin radicaal af te wijzen. Haarfijn onderscheidt hij wanneer iemand de meditatie als gebedsvorm mag verlaten en overgaan naar een zeer eenvoudig bidden in “liefdevolle aandacht” zonder activiteit, maar passief bezig, doordat zij aanvaarden dat God in hen werkt. Als zij soms zelf iets doen….. dan met de zachtheid van de liefde. Want zij worden meer bewogen door God dan door de eigen bekwaamheid van de ziel.
Anderzijds is Sint-Jan bijzonder streng – en terecht – voor wie tuk is op allerlei vormen van openbaring die de geloofsinhoud zogezegd zouden verrijken. Vandaar zijn prachtige christologische bladzijde: “Degene die God wil ondervragen of een visioen of openbaring wenst, begaat niet alleen een dwaasheid, maar hij doet God ook een belediging aan, omdat hij zijn ogen niet geheel en al op Christus vestigt zonder iets anders of iets nieuws te wensen”.
“Om God te zoeken, moet men zich vrij maken”.
Juan werkt heel bewust een geestelijke pedagogie uit. Hij schept gelegenheden om zijn medebroeders geestelijk voedsel aan te bieden: communiteitbijeenkomsten waar hij commentaar geeft op de wetgeving en er de zin van uitlegt; gemeenschappelijke recreaties warbij het geestelijk leven ter sprake komt; een dagelijks woordje na de avondmaaltijd; liturgische vieringen; wandelingen in de natuur; uitleg van zijn eigen geschriften; persoonlijke ontmoetingen met eenieder.
Drie geliefde thema’s komen steeds terug: inkeer en beschouwing door middel van analogische akten die hart en geest verheffen tot God; het apostolaat als een meewerken met God voor het heil van de zielen; het belang van de humane deugden in het dagelijks contact met elkaar: eerlijkheid, tact, edelmoedigheid, onthechting…..
“Als het u plezier zou doen naar dingen te kijken die u niet dichter bij God brengen, dan moet gij dat plezier niet willen en naar die dingen niet willen kijken”.
“De wind die zachtjes ademt,
Het zingen van de zoete nachtgalen,
Het woud in al zijn tover
Van nachtelijke vrede,
Daarbij die vlam die wel brandt,
Maar geen pijn doet”.
Onthechting in het gebruik van de 5 zintuigen en beheersing van de gevoelens = nacht van de zin; ontlediging van verstand, geheugen en wil = nacht van de geest.
Zo schep je in heel je persoon RUIMTE voor God.
Maar zo eenvoudig is dit echter niet! Met die algehele ontlediging en zuivering, waar je actief aan werkt, is het nog maar povertjes gesteld.
God komt je te hulp op de Hem eigen manier.
Hij brengt je in de nacht.
Hij laat je onvermogen ervaren.
In de duisternis van de nacht heb je geen houvast meer.
Geen referentiepunten.
Wat eens klaar in het licht stond, is nu verdwenen.
Dorheid in het gebed is je deel geworden.
Je moet je dus overgeven, je toevertrouwen aan Gods leiding, passief Gods werking in jou ondergaan. God zelf schept ruimte in jou om je aan Hem gelijkvormig te maken. Op de weg naar verrijzenis staat nu eenmaal het kruis geplant! Juan doet eigenlijk niets anders dan zijn eigen Toledo-ervaringen beschrijven, maar nu geobjectiveerd en tot systeem verwerkt.
“Deze zangen, eerwaarde moeder, zijn, naar het schijnt, geschreven met een zekere gloed van liefde tot God….als gevolg van overvloedig mystiek begrijpen.” Juan weet dat dit ook bij Madre Ana aanwezig is:
“Onze Heer heeft u de gunst bewezen u mee te voeren naar het meer innerlijke van zijn goddelijke liefde…..Al is u niet bedreven in schoolse theologie, waarin de goddelijke waarheden verstaanbaar worden gemaakt, bedrevenheid in de mystieke theologie ontbreekt u niet. Deze leert men door liefde, waarin niet enkel en alleen gekend, maar tegelijkertijd genoten wordt.”
De Bijbel is voor Juan een reisgezel: een leesboek, een gebedsboek, een manuaal voor vorming, de inspiratiebron van zijn geschriften, zijn trouwe vriend die hem vergezelt in de kerk, in de tuin, in de cel, op reis. Het Woord wordt een aanwezigheid die hem nabij is.
Is het te verwonderen dat Juan in zijn Werken zo vaak allusies maakt op het gaan en klimmen, op het smalle bergpad, op de vermoeidheid, enz.? Eigenlijk is voor Juan heel het geestelijk leven een weg.
“Op deze weg moet men steeds voortgaan om het doel te bereiken. Die weg is in feite slechts een smal pad dat omhoog klimt tegen de berg. Want dit pad naar de hoge berg der volmaaktheid, dat steil naar boven voert en smal is, vraagt klimmers, die noch een zware last meesjouwen - ik bedoel ballast van het zintuiglijke – noch iets wat hen hindert in de geest”.
De ziel krijgt twee gidsen mee voor deze moeilijke tocht: “Ge moet de Bruidegom zoeken in geloof en liefde…..dat zijn de twee gidsen die u moeten leiden door het land dat gij niet kent naar het verborgene van God. Het geloof is te vergelijken met de voeten waarop de ziel naar God gaat. De Liefde is de gids die haar leidt.”
Sint-Jan overtuigt ons in zijn Donkere Nacht dat men de moed moet opbrengen om het onbekende land van geestelijk leven met beslistheid tegemoet te treden. Hij illustreert dat met “de reiziger die, om naar nieuwe streken te gaan, langs nieuwe wegen gaat die hij niet kent en niet beproefd heeft. Hij wordt niet geleid bij zijn tocht door hetgeen hij vroeger wist. Maar in onzekerheid en aan de hand van wat anderen zeggen gaat hij voort. Het is duidelijk dat zo iemand geen nieuw land kan ontdekken en ook niet meer kan achterhalen dan hij vroeger wist, als hij niet langs nieuwe, onbekende wegen gaat en als hij niet achterlaat wat hij wist…..Op dezelfde wijze boekt ook de ziel meer winst, wanneer zij in het duister verder gaat, zonder te weten. Want God is hier de leermeester en de gids van de blinde, de ziel.”
Juan van het Kruis is de contemplatief in volle activiteit. Het geeft een reëel en compleet beeld van de ware Juan van het Kruis. Deze vindt God op intense wijze zowel in de eenzaamheid als in de drukte. Hij is gegroeid tot die delicate synthese: te midden van de veelvuldige en opslorpende activiteit blijft hij geboeid door God, naar binnen getrokken. In het diepst van zichzelf draagt hij met zich een ervaring van God, een aanwezigheid die hem nooit verlaat. Hij hunkert naar eenzaamheid en hij zal ze weldra met vreugde begroeten, maar hij blijft steeds beschikbaar tot dienstbaarheid als de gehoorzaamheid, de vriendschap of andermans nood het vragen. Dank zij zijn diep theologaal leven en zijn ononderbroken inkeer, waar hij ook verblijft, is hij erin geslaagd tegelijk contemplatief en actief te zijn. In Caravaca staat zijn standbeeld. Het is Jan van het Kruis op tocht, de stok in de hand, de wind in zijn habijt, de blik gefixeerd op de verre horizon, in houding en gestes een dynamische figuur.
“O, laaie Vlam van liefde!”
“Hoogedele en vrome Vrouwe, ik heb enige tegenzin gevoeld deze vier strofen te verklaren, zoals u mij hebt gevraagd. Het gaat immers over iets van zeer innerlijke en geestelijke aard. Gewoonlijk schiet daarbij de taal tekort…..Nu echter schijnt de Heer mij toegang te hebben verleend tot een beetje inzicht en mij enige gloed te hebben geschonken. Dit zal wel komen door het heilig verlangen dat u koestert.”
“Deze strofen spreken over een volkomener en nog meer tot volmaaktheid gekomen liefde binnen deze zelfde toestand van omvorming.”
“Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen”[Joh 14,23]
In de Levende Vlam van liefde is er geen sprake meer van een angstig zoeken van de Beminde. De vereniging is reeds voltrokken, maar Juan beschrijft hier de liefde in haar onstuitbare kracht:
“De liefde is nooit zonder bezigheid, maar in voortdurende beweging, zoals een Vlam. Deze immers doet steeds andere vlammentongen naar alle kanten uitslaan. Zo is de liefde in zo’n ziel als het ware een levende vlam. Haar taak is het te wonden om in liefde te ontsteken en genot te verschaffen”.
Deze levende vlam is het “feest van de Heilige Geest dat plaats vindt in de substantie van de ziel”.
Het trinitarisch karakter van de mystieke ervaring wordt hier bijzonder benadrukt. “Het smaakt naar het eeuwige leven”.
“Ontsluier mij bij uw bijzijn;
Mijn dood zij ’t U te aanschouwen
In uw schoonheid.
Bedenk toch, dat de kwelling
Der liefde nooit een eind neemt,
Dan door ’t beminde bijzijn en zijn aanblik”.
Hij vergeet ondertussen zijn geliefde karmelietessen niet. Voor de zusters van Beas vat hij zijn geestelijke begeleiding nog eens kort samen in een brief van nov. 1587:
“Om de geest te handhaven is er geen beter middel dan lijden, werken en zwijgen, bovendien de zinnen afsluiten door zich te laten trekken naar de eenzaamheid. Wat er ook gebeurt, iets goed of iets verkeerd, u moet blijven zorgen voor de rust van uw hart die voortkomt uit het innerlijke van de liefde. Hiermee kunt u het uithouden bij alles wat zich bij u aandient. Vooruitgang is immers onmogelijk zonder daden en zonder deugdzaam gedragen lijden. En dit alles omgeven met stilte!”
Een bezoeker spreekt Juan schertsend toe:
“Mijn God, padre Juan, je voelt je blijkbaar in je element tussen kalk en stenen!” – “Zoon, verwonder je er niet over; terwijl ik me hiermee bezig hou, heb ik minder problemen dan wanneer ik met mensen bezig ben”!
De dichter, de mysticus, die zo delicate geest, voelt zich op zijn plaats te midden van de materie. Hij bouwt zijn convent niet alleen met gebed en mooie woorden, schouwend naar het heerlijke landschap. Het menselijk leven stelt zijn eisen waaraan niemand zich kan onttrekken, ook de mysticus niet…….
In zijn tuin heeft Juan ook zijn eigen “kluis”. Dikwijls vertoeft hij in een grot, verborgen onder het struikgewas en het “kreupelhout”. Daar daalt hij af in de “binnenste kern” van zichzelf. “Binnen in de ziel immers is God verborgen. Daar moet een goede contemplatief Hem liefdevol zoeken en Hem vragen: Waar houdt Gij U verborgen?” Juan ontdekt “het toevluchtsoord en de schuilplaats waar God verborgen is”. In zijn eenzaamheid vindt hij “het samenzijn en de gemeenzaamheid met zijn Beminde”.
“In de eenzaamheid verbleef zij:
In d’eenzaamheid
Had zij zich reeds genesteld:
In eenzaamheid geleidt haar
Alleen nog de Beminde,
Ook Zelf in eenzaamheid gewond van liefde”.
“Dat ontbrak er nou nog maar aan: dat zou ik helemaal vergeten! Kijk nou eens aan wat er allemaal kan omgaan in een ziel die in de toestand verkeert als de uwe. Nu zij in duisternis verkeert en in die toestand van ontlediging en geestelijke armoede, denkt u dat allen u ontvallen en u alles ontbreekt. Maar dat is geen wonder want in deze toestand hebt u ook de indruk dat God u ontvalt. Maar u ontbreekt niets! Het is nergens voor nodig met iets bezig te zijn. Ge hebt niemand, ge kent niemand en ge zult niemand vinden. Dat zijn allemaal maar verdachte veronderstellingen die geen grond hebben. Wie niets anders wil dan God, wandelt helemaal niet in duisternis al zou het er nog donkerder armoediger uitzien….Het gaat goed met u! Laat het zo en u zult vreugde vinden. Wie bent u eigenlijk dat u zorg zou hebben over u zelf? U zou het er wel mooi afbrengen! U bent nooit beter geweest dan op het ogenblik!….Wat blijft er dan nog verder te verlangen dan maar voort te gaan op die gewone weg van Gods wet en die van de Kerk. Alleen maar leven in donker en waarachtig geloof, in onwankelbare hoop en integere liefde! Daar moeten we ons goed van verwachten terwijl we maar verder leven als pelgrims, armen, bannelingen, wezen, als mensen in dorheid, zonder weg of iets, die alles van ginds verhopen. Wees blij en vertrouw op God….Wil niets anders dan deze weg en breng uw ziel tot rust. Het gaat er toch goed mee…..Ik ben een beetje ziel geweest. Ik ben nu weer beter…..Beveel mij bij God aan, mijn dochter in de Heer!”- Segovia.
“…..Nu ik vrij ben en ontheven van zielzorg, kan ik, als ik dat wil, met Gods hulp genieten van de vrede, de eenzaamheid en van de kostelijke vrucht der zelfvergetelheid en alle dingen vergeten.” “Als dit leven immers niet dient om Hem na te volgen, dan is het niet goed”.
“Breng liefde waar geen liefde is, en ge zult liefde vinden”.
Aan Moeder Ana de San Alberto, priorin te Caravaca, schrijft hij in die dagen: “U weet van de beproevingen die men momenteel doorstaat, dochter. God laat toe om zijn uitverkorenen op de proef te stellen. ‘In het stilzwijgen en de hoop zal uw sterkte zijn’. God beware u en make u heilig. Beveel mij aan bij God.”
Weer moet hij vaarwel zeggen aan de eenzaamheid! Een kleine kapel houdt tot op vandaag de herinnering levend aan het korte verblijf van Juan de la Cruz in La Peñuela. Bovendien staat hij in steen gebeeldhouwd op het grote plein vóór de parochiekerk, waarvan de middenbeuk de oorspronkelijke karmelietenkerk vormde.
Aan een karmelietes in Segovia schrijft hij nog: “Houd veel van wie u tegenspreken en niet van u houden. Op deze manier wordt namelijk liefde geboren in een hart, waarin geen liefde is. Zo doet God ook met ons. Hij heeft ons lief, opdat wij Hem door de liefde die Hij ons toedraagt, zouden terugbeminnen.”
Juans laatste woorden zijn die van Christus zelf. Hij kust zijn kruisbeeld dat hij vast omklemd houdt en bidt:
“In uw handen, Heer, beveel ik mijn geest”. Zo besluit fray Juan de la Cruz zijn leven, de eerste minuut van de 14e december 1591. Juan is de metten van dit feest gaan reciteren in de hemel.
Alles deed hij met bewonderenswaardige sereniteit en ernst. Zijn hele verschijning straalde een zekere ernst uit, goedheid en bescheidenheid, zodanig dat allen die met hem in aanraking kwamen er onder de indruk van geraakten en tot kalmte en rust gebracht werden. In zijn blik glansde iets van hemelse majesteit. Dat alles maakte dat men hem vereerde en liefhad.
Dre ziel van Juan leren we kennen uit zijn geschriften. Zijn uiterlijke levensloop is slechts de bedding, gegraven door Gods liefdesstroom. Dit kleine, tengere lichaam herbergt een ziel, “verteerd en omgevormd door in milde liefde, waar vlammen uitslaan die haar doen baden in heerlijkheid en haar verfrissen met de levenswarmte van God.”
Op 25 januari 1675 wordt Juan de la Cruz door paus Clemens X zalig verklaard. Op 27 december 1726 verklaart Benedictus XIII hem heilig, met als feestdag 14 december, die van 1732 naar 24 december verplaats wordt, maar sinds de herziening van de liturgische kalender, terug op 14 december gevierd wordt.
Twee eeuwen later, op 26 augustus, om zowel de heiligverklaring als het begin van de Teresiaanse hervorming (25 augustus 1562) te herdenken, roept Pius XI Sint-Jan van het Kruis uit tot kerkleraar, en wel tot Doctor Mysticus. Het waarmerk van de Kerk rust voortaan op de leer van Sint-Jan van het Kruis.
In 1927 kreeg het lichaam van Sint-Jan van het Kruis zijn definitieve plaats in de zijkapel van de karmelietessenkerk in Segovia, en wel in een prachtig mausoleum vervaardigd door de kunstenaar Félix Granda. Op 24 november 1955 werd het schrijn voor het laatst geopend.
In deze tijd van geloofsverduistering brengt hij een unieke boodschap. Steunend op eigen ervaring duidt hij het geloof als het geëigende middel tot de vereniging met God. “Het geloof is het liefdevol op zoek gaan naar de verborgen God die zich openbaart in de Christus, die wij vinden binnen de Kerk. In de stilte van het gebed komt de ontmoeting met God tot stand en beluister je het Woord dat God voortdurend spreekt in eeuwig stilzwijgen, en dat in stilte door de ziel moet vernomen worden”.
Wat vooral de aandacht trekt in de geschriften van Sint-Jan van het Kruis is de helderheid waarmee hij het menselijk lijden beschrijft, wanneer de ziel gehuld is in de lichtende EN zuiverende duisternis van de donkere nacht van het geloof. God zelf zuivert de ziel tot in haar diepste wortels, juist door in haar de levende Vlam te ontsteken: de Heilige Geest…..Alleen God kan de mens echt vrij maken. Deze verwerft slechts zijn volledige waardigheid en vrijheid, wanneer hij in de diepte van zijn wezen de verlossende en omvormende kracht van Christus mag ervaren. De ware vrijheid van de mens ligt in de gemeenschap met God.
Joannes van het Kruis was een vrij mens, want hij was een Vriend van God.
“Van mij zijn de hemelen
En van mij is de aarde.
Van mij zijn de mensen,
De rechtvaardigen horen mij toe
En de zondaars.
De engelen zijn van mij
En de Moeder van God
En alles is van mij.
God zelf is van en voor mij,
Omdat Christus de mijne is”.
Bron: auteur is Guido Stinissen, gewezen monnik (overleden) in de hervormde Karmelietenklooster in Gent.
Het extract is bewerkt door Rudolph Berger. Zie ook: http://www.blog.koffiepot.org



